PretLetters

Maart 2006

Lenteverschijnselen

Sun, 12 Mar 2006 12:47 +0100

Google Groups discussiegroep: PretLetters Reageer via de discussiegroep bij Google.

Het is bitter koud geweest afgelopen nacht. Alle daken in de wijk zijn wit bereipt onder de strak blauwe lucht. De zon tovert alles om tot een heldere pracht. De stad als een witte edelsteen. Je zou het niet zeggen dat het voorjaar al serieus in aantocht is.

Ergens heb ik vrij recent gehoord dat kleine vogels in koude nachten tot tien procent van hun lichaamsgewicht kunnen verliezen. Allemaal verbrand om zichzelf een beetje warm te houden. Juist na een koude nacht moeten ze snel aan eten komen met een hoge voedingswaarde.

Dus was het eerste dat ik deed vanmorgen, nog voor ik koffie zette: het aanvullen van het vogelvoer dat ik op mijn dakterras aan de vogeltjes (en vogels) geef. Ik had nog een rest rijst van gisteren avond. Dat werd het strooivoer. Twee mezenbollen kneep ik fijn en de kruimels legde ik ook op de grond. Twee andere bollen hangen er nog en zijn nog voldoende groot. Ik vulde het silootje aan met vogelzaad en sneed not één vetbol doormidden en stopte die in een aparte houder waar ook andere vogels dan mezen en spreeuwen er makkelijk bij kunnen zonder dat ze op de grond hoeven te komen.

De vogels die ik op mijn dakterras zie, zijn redelijk standaard allemaal. Spreeuwen, huismussen en kauwtjes zijn in de grootste aantallen aanwezig, iedere dag weer. Koolmezen en pimpelmezen zijn een volgende groep die ik dagelijks zie, maar niet in zulke grote aantallen. Trouw bezoekt ook een koppeltje tortelduiven mijn dakterras, elegante diertjes, en vlakbij scharrelt vaak een echtpaar eksters rond. Dan is er nog een roodborstmannetje dat ik af en toe zie, sinds kort een winterkoninkje dat ik alleen in de vroege avond zie. Merels en vinken zie ik ook nog wel geregeld. Dagelijks scharrelt er ook nog een mannetje van een grote gele kwikstaart rond, nerveus, druk en hard weglopend als er schijnbaar gevaar dreigt. Vlak buiten het hek rond mijn dakterras zijn er dan ook nog verschillende soorten meeuwen die zich te goed doen aan het brood dat wordt uitgegooid door mijn buren of mijzelf.

Levendig, niet? Er zal nog wel meer spul rondvliegen en hippen. Zo heb ik tegen de stammen van de bomen in mijn straat ook wel boomklevertjes gezien en in de brede sloot in mijn straat komt uiteraard een aantal watervogels voor (knobbelzwanen, eenden, meerkoeten en in mindere maten waterhoentjes) en de blauwe reiger. Ook scharrelt er in de tuin- en groenrijke buurt nog wel een aantal kleinere vogeltjes rond, die ik niet altijd 1-2-3 kan thuisbrengen. Een puttertje heb ik wel eens gezien, en vogeltjes die lijken op groenlingen. Andersoortige meesjes en vogeltjes die op musjes lijken of vinkjes, maar waarvan ik nu niet weet wat het voor soort is. Ook pestvogeltjes heb ik in de buurt wel eens zien scharrelen.

Als ik mijn huis in het midden zet van een cirkel met een straal van ongeveer twee kilometer, tref ik allerlei soorten habitats: plassen, park, weide, stad en tuin. Dat zou kunnen verklaren welk een diversiteit aan vogels er zo vlak in de buurt en zelfs pal in mijn straat voorkomt. Dat heb je met een stadje als Gouda, met globaal een oppervlak van zo'n vier vierkante kilometer. Ik vermoed dat die diversiteit aan habitats zo vlak bij mij in de buurt, het mogelijk maakt dat ik al die verschillende vogels in mijn buurt heb en zelfs op mijn dakterras ontmoet. Is dat genieten dan?

Bloeiende heide in de sneeuw

Vorige week ergens, of is het al weer iets langer geleden, toen er een tweede maal sneeuw was gevallen, schoot ik een mooi plaatje van bloeiende heide en eenvoudige viooltjes die door de sneeuw heen breken en de lente aankondigen (argeloze voorbijgangers moeten wel hebben gedacht Wat doet die daar nou op haar knieën in de sneeuw met die mobiele telefoon voor haar gezicht  :-) ). Dat werkte aanstekelijk, die bloemen. Mijn moeder is en nachtje bij mij blijven slapen en we zijn samen even naar een tuincentrum geweest. Daar heb ik wat bolletjes gekocht voor in een bak in mijn huiskamer. Ik wilde de naderende lente dicht bij me hebben.

bloeiende bolletjes in huis

Inmiddels komt dat tot bloei. Een klein kluitje bloemetjes, zomaar in een zonnig hoekje van mijn huiskamer. Dat beïnvloedt mijn humeur onmiddellijk positief.
Zoals het overvloedige zonlicht van dit moment dat ook doet overigens. Het ziet er zeer aantrekkelijk uit om naar buiten te gaan, het naderende voorjaar tegemoet.

En toch aarzel ik wat. Ik voel me nog steeds niet goed. Als ik me fysiek heb ingespannen, wordt dat 's avonds onmiddellijk afgestraft met lichte verhoging, ingewanden die van streek zijn en toenemende benauwdheid. En de volgende dag heb ik dan weer spierpijn en pijn in mijn gewrichten. Die griep is na twee weken (inmiddels) domweg nog niet voorbij. Ik ben gewoon nog steeds ziek. Veel minder ziek dan een week geleden, maar in ieder geval nog niet beter.

Toch denk ik dat ik rond twee uur even een uurtje naar buiten ga. Even de frisse lucht in, even de zon op m'n snoet. Volgens mij doet het me uiteindelijk meer goed dan kwaad namelijk. En buiten dat: het is gewoon zalig om die lente op je huid en in je longen te voelen. Als je inademt is de lucht zoet op je tong.

Ja, ik ga zo even naar buiten toe. De lente moet je niet observeren, die moet je beleven.

| Categorie: persoonlijk |

copyright © 2003-2006 Barbara de Zoete