PretLetters

December 2005

Stenen en muren

Tue, 13 Dec 2005 22:03 +0100

Google Groups discussiegroep: PretLetters Reageer via de discussiegroep bij Google.

Afgelopen weekend was ik bij mam en Ger. In hun nieuwe huis. Hun prachtige nieuwe huis in Buinerveen. Geen fout plekje dat ze hebben gevonden. Helemaal niet verkeerd.

Ik reisde per trein. Een suf stuk stinkende, brede tram tot Utrecht (waar haalt de NS eigenlijk het gore lef vandaan om een Sprinter als trein te verkopen en er het volle bedrag voor te vragen; zo'n ongeveerde tinnif bak met plastic kuipstoeltjes, zelfs in de eerste klas, vol met rokende pubers). Daarna de intercity naar Groningen. Ik zou tot Assen blijven zitten. En dan vanaf Assen met de bus door naar Buinerveen.

Ik ging even na zessen al van huis. Dan zou ik rond tien uur bij mam en Ger zijn. Vroeg op pad om wat aan de dag te hebben. Heel vroeg op pad zelfs.

Het stuk Utrecht-Assen is nog een heel eind. En dat zo vroeg. Ik zat in een wat oudere intercity. Zo één met coupés met steeds maar zes zitplaatsen. Grote zittingen, met instelbare rugleuningen en opklapbare armleuningen.
Ik zat alleen in de coupé. Ik schoof mijn stoe. Helemaal onderuit. Die tegenover me ook. Deed mijn schoenen uit en legde mijn voeten op de stoel voor me. Zo haalde ik Assen wel. Zeker met mijn iPod op mijn oren, vertrouwde muziek, boemel boemel boemel.

Ergens achter in mijn dromende gedachten hoor ik iemand 'Assen' zeggen. Assen, denk ik te horen. Maar mijn lijf slaapt nog diep. Mijn geest moet worstelen om de controle over mijn lijf terug te krijgen. Uiteindelijk lukt dat. Opeens spring ik overeind, stap in mijn schoenen, veters nog los, graai alles bij elkaar dat van mij is, en sprint de trein uit.

Nog wat slaperig en verward sta ik daar dan met mijn handen vol en veters los op een ijzig perron in Assen. Vlak bij staat een mijnheer in ongeveer gelijke staat als ik. We grijzen elkaar aan.
Ik begin mijn kleding te ordenen, knoop mijn schoenen vast, hang mijn rugzak om en ga op zoek naar de goede bus. Nog eens een kleine drie kwartier later ben ik bij mam en Ger. Onderweg kan ik alleen dichtbij kijken. De mist verhult het Drenthse landschap. Wat ik zie zijn kleuren, zoals een cirkel van roodgoud blad onder de kalende kruin van een oude beuk op een berijpt veld, grijsblauw waar het afgelopen zomer allemaal groen moet zijn geweest. Drenthe heeft veel beuken.

Ik bewonder het huis en de inrichting. Ze zijn er nog volop bezig in te trekken. Een kleine honderd dozen staan nog onuitgepakt in de garage. Wat een klus.
Maar tegelijk wonen ze er inmiddels echt. De routine is nog ver te zoeken, net als sommige spulletjes, maar het huis is al. Helemaal een thuis. Ze hebben het al aardig aangetrokken.

Wel vind ik dat ze er beiden nogal vermoeid uit zien. Ze maken een vermoeide indruk, Ger meer dan mam. Ze zijn wat kilo's kwijt en hebben wat blekere snoetjes dan normaal. Maar verder gaat het ze wel goed, denk ik.
De katers zijn ook aan het wennen, al is Nebu danig uit z'n hum. Het duurt tot de volgende dag voor hij weer een beetje vrolijker is. Nesar is zijn speelse zelf vol kattekwaad. Gekke katjes met wollige lijfjes. Zoete kindekaters.

Met mam doe ik wat boodschapjes, in Borger als ik het me goed herinner. Ik ken di. Hele omgeving niet. En ik zie er nu ook niet veel van, want het is behoorlijk mistig. Borger is klein met een paar mooie plaatsjes, maar 'Kerstmarkt' voor die stalletjes met winkeldochters is wat té prestigieus. Slaat nergens op, eigenlijk.

's Middags is er thee met truffeltaart. Hou dat bordje recht! brult mam om de haverklap. Zij ziet mijn truffeltaart over haar nieuwe ecru wollen kleed rollen, in haar macabare fantasieën. Ik grinnik, voel me kind en hou m'n bord recht.

Het logeerbed is net te zacht en ik slaap niet heel geweldig. Een aantal malen word ik wakker, maar ik weet niet zeker waarom. Misschien de nieuwe omgeving. Misschien die ene brommer op dat malle tijdstip in de stilte van het einde van de wereld. Misschien toch dat bed.

Enfin, 's ochtend is er een gezellig ontbijt. Ik eet te veel merk ik. Na die taart van gisteren is alles te veel natuurlijk. Maar er zijn zoveel lekker dingetjes. Een klein stolletje, boeren kaas, eitjes en eiersalade. Van alles.
Ik wen snel aan het leven in de keuken. Het leefgedeelte van het huis heeft eigenlijk vier aparte ruimtes:

  1. de huiskamer met twee banken en de salontafel,
  2. een telefoonhoekje, waar nu nog de TV staat,
  3. de eetkamer, met de grote tafel en acht stoelen,
  4. en dan onder een boog door de keuken met weer een tafel en stoelen.

In de basis vrij klassiek, op plavuizen in een nagenoeg witte ruimte. Die 'delen' van een leefgedeelte van een huis zijn niet zomaar ontstaan. Je beweegt je heel natuurlijk door die ruimte en vindt altijd de goede plek om iets te doen, lezen, eten, met een kat spelen en knuffelen, babbelen, TV kijken. Het is een genoegen om daar te zijn, al moet er nog heel wat gebeuren.

Maar niet nu. Mam en ik gaan op zondag wandelen in de omgeving. Ze zitten niet voor niets tegen de Hondsrug aan. De mist is wat afgenomen. We gaan naar Exloo en zullen op en neer wandelen naar Odoorn. Stukjes bos, hei, oud akkerland. Tussen twee dorpen. De belofte is er.

En die wordt meer dan waar gemaakt. Wat een prachtige omgeving! Op de weg naar Odoorn treffen we een grafheuvel midden in de bossen. Ik raa. Helemaal enthousiast. Je staat daar wel te kijken naar iets dat ouder is dan de piramides in Egypte. Om en nabij vijfduizend jaar oud!
We doorkruisen een stukje bos op een kronkelig een nat paadje. Onderweg vinden we een klein vennetje met welwater. Een heel eigen biotoopje. Nog weer verder staan de resten van een hunebed. Een kleintje en hij heeft geen dekstenen meer. Maar het is mijn eerste hunebed sinds mijn lagere schooltijd en ik ben opnieuw enthousiast.

Met mam wandel ik en klets ik. Ik geniet met emmers. We spelen met kaarten en wandelstokken, lachen met andere recreanten. Mountenbikers komen aanstormen. Wandelaars! roept de voorste. Mam schiet in de lach Fietsers! brult ze terug. We giebelen. De fietsers zijn stomverbaasd, met open monden. Ze groeten nog wel.

Op de terugweg komen we door bos. Langs het bospad herkent mam bosbes. Eindeloze velden bosbes. Bramen groeien hier ook in overvloed. En allerlei paddestoelen. Het is een rijk stukje grond en natuur, gemengd bos. Mooi om te zien, iets glooiend, met zanderige paden. Soms is het zand opeens spierwit. Andere stukken is de grond diep zwart.

Opeens lopen we het bos uit en kijken we tegen een heuvel op. Het doet in de verte iets aan duinen denken, behalve dan dat er ook heide is. En die bosbessen. En nog een ander plantje. Maagdenpalm? probeert mam voorzichtig. Ik stem in. Dat zou het kunnen zijn.
Even verderop zie ik de silhouetten van jeneverbessen. Machtige struiken met een zeer specifiek voorkomen. Ik ga uit m'n dak! Ik moet ze even van dichtbij zien, ik moet voelen, een besje plukken, ruiken. Wauw! Juniperus, zomaar wild en groot. Wat mooi.

Bij dit heideveld staat ook een bord met uitleg. We lezen ieder stukjes. Beiden ontdekken we dat de maagdenpalm van zoëven eigenlijk vossebes is. Ik duik richting het plantje en ontdek al gauw vruchtjes. Proeven! Hmm, cranberry. Overduidelijk vossebes. Snoepjes, dorstlessers. Mam krijgt ook besjes. Onderweg pluk ik er nog een paar maal enkele. Wat een rijkdom.

En weer een stukje verder staat een schaapskudde. Schapen op de Drenthse heide. Met herder die op zijn stok leunt. En een schapendoes die op z'n hondekont zittend kalm de kudde bestudeert. Een kudde waar ook mooie geiten in rondhobbelen overigens.
In één wandeling heb ik alles gezien waar toeristen om naar Drenthe gaan, naar de Hondsrug. Wat een volkomen mazzel. Wat hebben mam en Ger een fraaie achtertuin.

's Avonds vroeg al eten we een heerlijke stoofschotel, met een nagelig vlees (met een geweldig lekkere jus; jus waar je soep van kan maken) en rode kool en lekkere aardappelen. Dat had mam goed gedaan, zo'n Nederlands maal, ouderwets en van 'moeder'. Sjiek en moeilijk vind ik ook heerlijk, maar kan ik ook in een restaurant eten. Dit niet. Dit komt alleen bij mam vandaan.

En dan moet ik al weer naar huis. Ik loop op en neer naar de bushalte om na te gaan op welke tijden dat ding rijdt. Nou, niet dus. Er rijdt geen bus op zondag van Buinerveen naar Assen. Later die avond rijden mam en Ger me naar het station in Assen. Dat is toch nog ruim twintig kilometer verderop van waar zij wonen. Voor hen is het ook nog een grote ontdekkingstocht allemaal. Zoveel onbekend. Ook waar de flitspalen staan, bijvoorbeeld. Ger staat op de foto. Gelukkig niet afschuwelijk hard, maar toch jammer.

Ik knuffel op het station, niet te lang, want mijn trein komt er aan. Als ik het perron op loop, rolt de trein binnen. Ik nestel me weer in zo'n coupé, weer alleen, en hoop dat ik in Utrecht wakker wordt. Anders kan ik er in Den Haag pas weer uit.
Met moeite houd ik mezelf in een soort van waakslaap. Vooral het stuk tot Zwolle nodigt uit tot slapen. Diep slapen. Eindeloos tjoekeboemelt de trein gemoedelijk door de duisternis. Diepe duisternis.

Even na tien uur ben ik thuis. Keurig op tijd om op maandag weer aan het werk te kunnen.

Op het werk zijn we net verhuisd. Het is nogal chaotisch om me heen. Ik had niet veel spullen te verhuizen, maar de kamer waar ik kom te zitten is nog niet klaar. Die werd maandag, toen ik er al in zat, geschuurd (!) en behangen. Ik vluchtte. Vandaag zou er geschilderd worden, maar dat is nog niet gedaan. Geen schilder gezien. Misschien morgen. Pas als de muren droog zijn, kunnen de kasten er tegenaan en kan de aankleding afgerond worden.

Ondertussen was ik diep ongelukkig van mijn nieuwe plek. De kamer is een pijpenla die ik met een collega deel. Één venster dat niet open kan en ik kijk pal tegen een blinde muur. Ik kan niet naar buiten kijken.
Stilletjes zat ik ongelukkig te wezen. Moest ik een jaar tegen een muur aankijken? Tranen welden en ik had een brok in mijn keel. Net toen mijn baas binnen liep. Wat er was, wilde hij onmiddellijk weten. Nou, die muur! Dat was er. Ik voelde me zo ellendig.

Ik ben ontzettend een buitenmens. En nu, geen open ramen, onvoldoende venster, een stinkende airco waar ik droge ogen van krijg een pijnlijke stukken in mijn neus. Wat een rotlocatie. En dan die muur waar ik tegen aan kijk. Diep bedroefd raak ik daar van, ongelukkig, depressief, ellendig.

Er gaat wat geregeld worden. Ik hoop snel.

Morgen komt mijn oom hier. Ik ga wat vroeger op huis aan. Rond vier uur hebben we afgesproken. Dan kunnen we de stad in, ergens wat eten, even een biertje drinken misschien. Eens zien of er wat leuks is. Vanavond zou leuk geweest zijn. Het is hier kaarsjesavond. Maar hij komt morgen pas, dus daar hebben wij niets aan.
En dan later eens zien wie waar komt te slapen. Eigenlijk zou hij mijn bed moeten krijgen natuurlijk. En ik op de bank of zo. Een nachtje moet kunnen. Maar ik weet niet of hij mij toestaat om op de bank te gaan slapen. Hij is zo weinig eisend. Eens zien hoe zich dat ontwikkeld.

Ik vind het leuk dat hij komt. Ik heb de donderdagochtend ook verlof genomen. Meer kon ik er op zo'n korte termijn niet van maken, woensdagmiddag en donderdagochtend. Daar moeten we het nu even mee doen. Maar misschien komt hij nog terug komend weekend. In ieder geval ga ik ergens in februari nog eens naar Engeland om bij Luc en Louise op bezoek te gaan. Daar heb ik echt zin in, weet je dat. Toen ik net terug was van mijn verblijf bij hen eind oktober, heb ik ze een paar dagen echt gemist. Ik heb zo genoten van die twee lieve mensen. Ik nam me toen vast voor om er snel weer naartoe te gaan. Februari wordt dat dus.

Eerst deze week werk maar eens overleven. Het is vlot Kerst en zo. Ik heb al een paar dagjes verlof genomen, misschien maak ik daar meer van. Ik heb het wel even gezien op het werk. Mij achter en muur zetten in een ruimte die nog vies is en stoffig en nog geschilderd moet worden en zo. Die ik no. Helemaal niet kan inrichting en die ik nooit 'van mij' kan maken. Bah.

| Categorie: persoonlijk |

copyright © 2003-2005 Barbara de Zoete