In m'n eentje
Sun, 20 Nov 2005 21:27 +0100
discussiegroep: PretLetters
Reageer via de discussiegroep bij Google.
De wandeling met mijn oom op de Moors, inmiddels al weer enkele weken geleden, heeft me voor het eerst echt duidelijk gemaakt dat wandelen niet alleen een heel lekkere bezigheid is, maar dat het ook nog eens heel mooi kan zijn. Voorgoed verpest natuurlijk. Een rondje Reeuwijkse plassen is aardig, maar mooi, nee. Voor mooi moet je elders zijn. In de Moors bijvoorbeeld.
Maar ja, die heb ik hier niet om de hoek liggen.
Gisteren sprak ik met een goede vriend af dat we vandaag rond negen uur contact zouden hebben. Ik wilde hoe dan ook gaan wandelen vandaag. Misschien had hij wel zin om mee te gaan. Ik had gisteren voorzicht al de bossen bij Hilversum
voorgesteld. Eens zien of hij daar zin in had.
Vanmorgen bedacht hij zich. Hij wilde wel hier in de buurt
een wandelingetje maken, maar er niet voor op uit moeten trekken. Maar ik wilde zo graag. Dus besteedden we onze dagen gescheiden. Hij ging misschien een stukje fietsen
. Ik ging op avontuur.
Maar waar?
Geroutineerd begon ik mijn day-pack te pakken. Een buideltje met talloze persoonlijke verzorgingsmiddelen, zoals pijnstillers en blarenpleisters. Spullen voor mijn wandelstokken, zoals diverse rubber doppen, en
En nog aarzelde ik waar ik naar toe zou reizen en of ik dat met de auto zou doen of met de trein. Toen ik mijn rugzak oppakte had ik kort de neiging om hem domweg om te binden en toch maar weer de weilanden in te trekken van het
Terwijl ik in mijn jaszak tastte om mijn portemonnaie te localiseren, besefte ik dat ik naar de Veluwe wilde. Ik wilde een landschap waarmee ik wat moest doen, waarin ik werd uitgedaagd. Dus reed ik naar het benzinestation om te tanken en zette ik koers naar de Veluwe. Bij Ede verliet ik de snelweg en vlak na Otterloo trof ik een ingang van het nationale park De Hoge Veluwe
Na een paar honderd meter trof ik een parkeerterrein. Tjonge, ik was niet alleen hier. Maar daar zou ik de rest van de dag maar weinig van merken.
Bij het uitstappen merkte ik dat het behoorlijk fris was. Ik besloot mijn fleece meteen aan te trekken. Ik schikte mijn rugzakje goed, gorde de heupgordel nog eens flink aan en begon op goed geluk te lopen.
Het duurde even voor ik gewend raakte aan de afstanden op de kaart. In het begin liep ik steeds vooruit op waar ik dacht dat ik op de kaart was. Het eerste gedeelte dat ik liep, vond ik bovendien niet mooi. Links en rechts ingeklemd tussen hekken, jak. Niet echt een gevoel van vrijbuiter op deze manier.
Na een mooie heuveltop trof ik een open vlakte. Daar ging ik op af, vrij rechtstreeks. Meteen trok ik mijn wandelstokken tevoorschijn. Ik gebruikte de stokken om mijn voeten tegen uitglijden te behoeden op de steile helling die ik afdaalde. Ik kwam op een zandpad terecht. Rul zand. Verderop was het opgestoven tot een heuveltje. Verder was er vooral veel gras. Gras en heel glibberig glad mos.
Ik keek mijn kaart er op na. Linksaf maar, dan kon ik verderop een ruiterpad gaan volgen langs bossig terrein dat voor mensen verboden gebied was. Ik genoot van de stilte, de koude wind in mijn nek. Er waren hier geen andere mensen. Ik zag meer hoefsporen van herten en reetjes en ook wilde varkens, dan van mensenschoenen hier. Waar al die mensen van al die auto's daarnet gebleven waren? Geen idee. Niet hier in ieder geval. Gelukkig.
Niet alleen de vergezichten waren mooi, oplossend in de nevel een paar kilometer verderop. Vlak voor mijn voeten speelden zich af en toe kleine wondertjes af, zoals talloze paddestoelen, waaronder (volgens mij) Cantharellen, wildsporen in het zand, herfstkleuren op onvermoede plaatsen en schitterden mospakketten op boomstronken.
Op een aantal plaatsen zweeft op miraculeuze wijze goud tussen de boomstammen, tot je ontdekt dat het bladgoud is, herfstig beukenblad in flamboyante horizontale accenten tussen talloze koelgrijze verticale stammen.
En er is veel meer te zien, zowel veraf als dichtbij. Ondertussen zwoeg ik door het rulle zand. Ik heb de hoefslag gevonden en volg deze langs het voor mensen niet opengestelde gebied. Het is een bosgebied dat als rustplaats voor grootwild dienst doet. Ik ben benieuwd of die dieren dat weten
.
Na enige tijd denk ik te weten van wel. Er zijn zo veel wildsporen die de hoefslag kruisen. Zo ontzettend veel. Het moet hier wemelen van het wild.
Maar ik zie de dieren zelf niet. Wel veel vogels. Buizerds, kraaien, een stelletje woest bewegende goudvinken. Mezen, veel mezen. Hoog overvliegende vite vite vite
haastende ganzen.
En eindeloze leegte. Leger dan de Moors. Ik ontmoet helemaal niemand meer. Niemand. Even twijfel ik. Mag ik hier zijn? Is iedereen op weg naar huis of zo? Hoe laat is het eigenlijk? Het lijkt al te schemeren. En zover ik kan zien (en horen) merk ik niets van de eventuele aanwezigheid van andere mensen. Niets.
Een aantal malen ben ik van het pad afgeweken. Ik ben nergens de rustgebieden ingetrokken, maar wel af en toe abrubt linksaf of rechtsaf geslagen, een wildpaadje volgend in plaats van het standaard voetpad. Op de kaart controleerde ik dan even wat ik na hoeveel afstand tegen moest gaan komen (een kruisend pad, een hek, een weg), en hop, ik dook het struweel in. Dan had ik werkelijk de ervaring van avontuur. Soms even toetsen of ik nog wel de goede kant op liep met mijn kompasje, en weer door.
De wildsporen zijn overtuigend. Hoopjes hertenpoep doen vermoeden dat die beesten niet ver weg zijn, maar ik ben kansloos. Mijn stokken, mijn stappen, het geruis van mijn signaalgele jack, mijn geur. Kansloos. Zelfs ik ervaar mijzelf als oorverdovend aanwezig, hoewel ik me zeer voorzichtig probeer te bewegen.
Na wat uurtjes dwalen zonder te verdwalen, begin ik weer richting de auto te bewegen. Het valt nog tegen om die te bereiken. De route die ik kies, loopt om de beeldentuin van het museum heen en ik kan dus niet binnendoor steken. Bovendien word ik een heuvel op gedirigeerd. Hoog ding. Verduveld hoog ding, iets met Frans er in. Allemaal blokhouten treden omhoog. En nog een paar. En, vooruit, nog even een steile trap op. Allemachtig wat een klim als je toch al moe bent.
Die trap weer af vind ik niet leuk. Een lang pad geleidt me nog steeds langs het hek van de beeldentuin, naar beneden. Almaar naar beneden. Met af en toe van die achterlijk hoge tredes er tussen. Dit soort dingen wordt gemaakt naar een grote mannenmaat, niet naar mijn benen. Ik moet een eigenaardige, onnatuurlijke gang ontwikkelen om dit pad een beetje plezierig weer af te dalen. Jammer, maar dat is vooral omdat ik al moe ben.
Een beetje verward zoek ik mijn auto op een parkeerplaats die me iets vreemd voorkomt. Ik kijk op mijn kaart. Ach wat, mijn auto staat op een parkeerplaats zo'n honderd meter verderop.
Ik trek mijn gaiters van mijn benen, schop zo veel als mogelijk het zand van mijn zolen. Tevreden stap ik in. Heerlijk gebanjerd, veel gezien. Geen groot wild, maar wel veel andere dieren, zwammen, planten, landschappen. Het zijn niet de Moors, dat kan ook niet, maar het was de rit van bijna honderd kilometer meer dan waard. Dit zocht ik.
Ik besloot om het park van noord naar zuid door te rijden en bij Schaarsbergen te verlaten. Op mijn gemaktje tufte ik richting het zuiden. Het schemerde al fors. Ik was nog steeds alert op groot wild.
En terecht bleek. Opeens zag ik een grote kudde herten. Ze waren erg ver weg, maar ik herkende het onmiddellijk. Grote dieren, een groot mannetje dat een kleiner mannetje op z'n falie gaf. Wat een grote dieren.
Ik zette de auto langs de kant en draaide het raam open. Als ik nou in de auto bleef, zagen die dieren mijn flashy gele jack niet en zouden ze niet van me te hoeven schrikken.
Ik had mijn echte cameraatje niet meegenomen, slechts mijn mobiele telefoon. Toch probeerde ik een foto te maken. Hmm, daar zag je dus niets op. De dieren stonden domweg te ver weg. Ik bestudeerde ze door mijn verrekijkertje. Wat een genot dat ik dat dingetje heb gekocht en altijd bij me heb. Ik heb er al veel plezier van gehad.
Nu weer. Ik herinnerde me mijn experiment tijdens een vorige wandeling: een foto maken door de verrekijker heen. Zou het nog lukken? Het was al zo schemerig inmiddels. Ik zou het domweg eens moeten proberen.
En het werkte prima. Althans, je ziet op de foto herten. Onscherp, grauw, maar het zijn herten. Vind ik.
Als je niet weet waar en wanneer de foto genomen is, kunnen het ook kangaroes zijn. Zie ik nu. Maar neem van mij aan: het zijn herten en ik heb de foto genomen als toetje aan een fraaie dag.
Een fraaie dag die ik alleen liep. Geen mensen. Ja, vlak bij het museum. En op de weg en op sommige paden. Maar in het natuurgebied zelf ontmoette ik niemand. Helemaal niemand. Niet op het glibberige mos dat zich over de zandverstuivingen uitbreidt zoals je dat ziet in griezelfilms of SF. Niet op de hoefslagen door het bos. Nergens.
En ik vond het eigenlijk heerlijk, zo in m'n eentje.
| Categorie: wandelen |
copyright © 2003-2005 Barbara de Zoete