PretLetters

Oktober 2005

... Sluit deuren en ramen ...

Sun, 02 Oct 2005 11:19 +0200

Ik ben rustig voor mezelf bezig. Het is al schemerig in de vroege avond, merk ik. De kranten zijn geduldig en liggen op twee stapels voor mijn voeten. Rechts wat ik nog wil doornemen, links wat straks de papierbak in kan.

Ik word iets gewaar. Een waarneming van iets dat er niet hoort te zijn op dit moment. Een sirene. De sirene. Er gaat een groot alarm buiten.

Verbaasd kijk ik op. Ik ervaar geen schrik of spanning, nog. Ik loop naar de achterdeur, kijk nog eens om door de ruit aan de voorkant, de woonwijk in waar ik woon. Ik zie geen abnormale activiteiten.
De sirene blijft gaan. Halstarrig. Luid.

Hoe was het ook weer, bij zo'n sirene? Ga naar binnen, houd ramen en deuren gesloten, zet radio of televisie aan. Zo iets.
Ik voel een licht prikkelende angst opkomen. Wat zou er aan de hand zijn? Een chloortrein ontspoord? Een bomaanslag op het station? Een dijkdoorbraak ergens vlakbij? Wat kan er hier in Gouda nou helemaal gebeuren?

Ik sluit de deur achter en loop door het huis om overal ramen en tussendeuren dicht te doen. Als ik terug ben in de huiskamer aarzel ik kort. Ik besluit ver van de ramen, in het midden van de kamer te gaan zitten, en schakel de TV in. Nederland 1, Nederland 2, 3 doen niets.
TV West vind ik. Daar wordt wel melding gemaakt van de kennelijk alarmerende situatie. Alleen wordt het alarm niet inhoudelijk gemaakt. Er wordt niet gezegd waarom de situatie zo alarmerend is.

Ik merk dat ik ril. De TV zuigt me op. Mijn zintuigen raken verdoofd. Ik kom in een soort gehypnotiseerde toestand, halve trance lijkt het.
Ik schud met mijn hoofd, ik schud de verdoofdheid van me af, en sta op. Hier word ik gek van, dat niets doen, niets weten. Ik loop nog eens naar voren en staar de wijk in. Daar staan inmiddels een paar politiewagens en in de verte zie ik een ambulance staan. Met zwaailicht, maar zonder geluid. Het ziet er allemaal zeer luguber uit. Niemand is op straat verder, behalve die officieel in functie zijn.

Ik besluit dat ik iets ga doen. Ik wil in ieder geval uitvinden waarom de sirenes gaan. Die gekmakende sirenes, die eindeloos hun waarschuwing over de verder doodstille wijk loeien.
Ik ga de trap af en open mijn voordeur. Voorzichtig. Ik wil om een mij onduidelijke reden niet gezien worden. Ik denk dat het het beste is, als ik niet word gezien.

Ik sluip mijn huis uit en beweeg me voorzichtig langs de gevels in de richting van het centrum van de stad.
Die sirenes, wraaah! Gek word ik er van.

Ik kom niet ver. Al ter hoogte van het ziekenhuis word ik staande gehouden door een politieagent. Hij sommeert me om terug naar huis te gaan. Ik protesteer, ik wil niet naar binnen voor ik weet wat er aan de hand is. Hij probeert mij bij mijn jas te grijpen, ik ontwijk. Ik sputter tegen dat ik eerst wil weten wat er aan de hand is. Ik laat me niet zomaar in mijn huis opsluiten. Hij is toch ook buiten?

Net als hij me beet heeft, hoor ik een... I don't know, een ... Ik stop mijn worsteling. Hij vergeet wat hij aan het doen is en beiden kijken we waar dat geluid vandaan komt, omhoog, ver weg, een soort monotoon loeiend gebrul of brullend geloei dat het geluid van de sirenes met steeds meer gemak overstemt. De agent laat me los en ik vergeet hem ook.

Het geluid zwelt aan. Er nadert iets. Door de lucht, zoveel is zeker.

Op het moment dat ik me realiseer dat ik een gloed waarneem, een gloed als van een intense fik, zie ik het ook. Ik duik in elkaar van schrik, maar ben te nieuwsgierig om niet ook te blijven kijken. Ik zie in een ooghoek dat de agent ook op een knie zit inmiddels, en zijn armen geheven heeft tot voor zijn gezicht, als om zich te beschermen. Maar ook hij blijft kijken in volkomen fascinatie.

Een object, het moet groot zijn want het lijkt nauwelijks te bewegen, dendert voort langs het hemelgewelf. Het gloeit op als een ondergaande zon, tegen het nagenoeg donker van deze bizarre late avond. Het trekt vurige strepen achter zich aan en brult om van zijn eigen nadering te berichten.

Het is gek hoe mensenhersenen werken ook in zo'n angstaanjagende situatie. Het is alsof ik een toeschouwer word van het geheel, ook van mijzelf. Ik zie mijzelf zitten, afwerend en nieuwsgierig tegelijk. Ik zie de politieagent en voor het eerst zie ik dat er nog twee agenten zijn, vlakbij, klaar om de eerste, die mij aansprak, bij te staan.
Tegelijk zie ik het naderende object zeer scherp. Het is man made, dat is in één oogopslag zichtbaar. Gek genoeg doet het me denken aan een puzzle-kubus die ik nog ergens in de la moet hebben liggen thuis. Zo'n puzzle viel in zes stukjes uit elkaar, inderdaad de zes vlakken waaruit een kubus bestaat, en dan moest je proberen om er weer een kubus van te maken. Ze waren er in verschillende kleuren en iedere kleur stond voor een andere moeilijkheidsgraad. Paars was het lastigst als ik het me goed herinner. Het object lijkt op een los puzzle-stukje van zo'n kubus, van één van de eenvoudigere1).

Dus dat is 'm hoor ik de agent die vlak bij me zit, voor zich uit mompelen. Dat is 'm. Ik realiseer me dat het grote object op grote hoogte ons aan het passeren is. Het valt niet hier ter plekke neer. Het moet iets als een satelliet zijn, of zo. Zo iets, iets anders kan ik er niet van maken. Er is iets verschrikkelijk verkeerd gegaan met een satelliet. Dat is mijn conclusie.

Het object is voorbij. Het gebrul is lager van toon. De sirenes beginnen weer de overhand te krijgen. Voor iedereen weer bij zinnen is, verenig ik lichaam en geest weer en vanuit mijn hurkzit zet ik het op een lopen. Halt! roept de agent me na. Blijf staan! roept een andere agent. Maar dat ben ik nou net niet van plan.
Opeens klapt er iets tegen de grond, niet gek ver van me vandaan. Het gloeit op als kooltjes waar verse zuurstof bij wordt gewapperd. Nog zo'n klap, iets verder weg. En dan kort na elkaar vallen op verschillende plekken stukken neer, stukken... van dat ding natuurlijk.

Ik vlieg op een boom af en druk me tegen de stam. Even verderop slaat iets een gat in de motorkap van een auto. En dan breekt de hel los. Het regent vuur. Rondom spettert gloeiend materiaal op de grond, op de daken, op auto's en in de bomen. Met een venijnige knal slaat iets door de kruin van de boom waar ik mijn veiligheid zocht. De boom heeft niet eens de tijd om vlam te vatten.
Ik voel sterke aandrang om hulp te roepen. Toch laat ik dat na. Met welk nut zou ik dat doen? Het is niet alsof iemand iets voor me kan betekenen op dit moment. Ik beef en hoop er het beste van.

Wat heb ik een buitengewoon levendige droomwereld tot mijn beschikking, zeg. Ik verbaas mezelf.

| Categorie: persoonlijk |

1) Het lijkt op:

    _   _
   | |_| |___
   |_       _|
    _|  _  |_
   |___| |___|
	    

copyright © 2003-2005 Barbara de Zoete