Leerzaam vluchtje
Fri, 26 Aug 2005 23:58 +0200
Er zijn van die momenten tijdens een zweefvliegvlucht dat je je afvraagt waarom ook weer je dacht dat je zweefvliegen leuk vond. Vandaag kende ik zo'n moment.
Na vanmorgen eerst even langs mam en Ger te zijn gegaan met een bak vol vers geplukte druiven, nog nat van de regen, en de nieuwste Ikeagids, reed ik onder toch wat sombere luchten naar Terlet. Ik voelde aan mijn stuur dat de wind rukkerig was, vlagerig. En hard. Dat beloofde wat.
Ik kocht verse bonnen en pakte de aanhanger. Vandaag had ik er wel aan gedacht om mijn geladen accu1) mee te nemen en ik zou dus mijn eigen kist kunnen vliegen. Voor het eerst weer sinds een jaar.
Op de strip was het buitengewoon rustig. Slechts een klein gedeelte van de vloot was mee naar boven genomen. Slechts een enkele andere privévlieger was ook aanwezig.
Met de eerste de beste lieden die zich aanboden, monteerde ik de Astir2). Met de neus in de wind. Die was namelijk erg fors en vlagerig. De oppervlakte van zo'n vleugel waar twee mensen mee in hun handen staan, is erg groot en vangt veel wind en is daarmee in harde wind wind slechts met moeite en veel kracht te hanteren, zeker wanneer de wind ook nog eens vlagerig is. Met de neus in de wind, kun je de vleugel vlak leggen voor de wind er vat op krijgt. Dan kost monteren een stuk minder moeite en is het een stuk minder risicovol.
Ik bleek de routine toch een beetje kwijt en het monteren ging niet helemaal soepel, maar met deskundige bijstand van twee collegavliegers zat alles toch in niet al te veel tijd op z'n plek. Ik bedankte en begon de montage verder af te werken. De roeraansluitingen vast en geborgd, de tape langs het stabilo, de
Ik had met de DDI afgesproken dat ik de kist op ieder moment dat ik dat wilde in de startrij kon aansluiten. Het was zo rustig dat ik zijn bedrijf onmogelijk in de weg kon zitten.
En eigenlijk was ik er onmiddellijk aan toe. Iemand hielp me met het verplaatsen van de kist. Ik stapte in. Ik had 'Peter' een seintje gegeven dat ik op Terlet was en dat de kist gemonteerd was, zodat hij
Ik slikte. Ik moest toch weer even aan haar wennen. Een
Veel tijd voor mijn aarzelingen had ik niet, want iemand kwam de lierkabel al aankoppelen. Ik trok de kap dicht, deed mijn cockpitcheck en startte.
En alles ging goed natuurlijk. Het werd een kort vluchtje, omdat er nog maar zeer weinig thermiek was, die bovendien ernstig was verwaaid, maar het deed me goed weer in m'n eigen kistje te zitten. De final4) bleek uiterst turbulent te zijn bij de wind van dat moment die over de bossen, heuvels en bomenrand joeg. Op enig moment sloot ik toch maar even mijn kleppen om mij ten volle over te kunnen geven aan geconcentreerd stuurwerk, maar alles ging goed en de landing was prima en op een goede plek.
Er volgde nog een kort vluchtje met precies zo'n bumpy nadering als bij de eerste. Daarna had ik eindelijk goed aansluiting in de thermiek. Vlak na de derde start zat ik al op twaalfhonderd meter hoogte tegen de basis van een Cumulus aan.
Ik keek eens rond en trok mijn plan. De bewolking stond in straten5). De afstand tussen de straten was zo'n tien kilometer. Ik was in de thermiek hard omhoog gegaan, dus het zou in het blauw ook wel eens hard kunnen dalen. Ik kon niet lang onder de huidige bewolking blijven, want daarmee werd ik in hoog tempo benedenwinds van mijn veld geblazen, dus besloot ik een oversteek te maken naar de volgende straat. Ik verwachtte daar op ongeveer zes tot zevenhonderd meter hoogte aan te komen. Comfortabel genoeg.
De straten stonden in een lichte hoek met de windrichting boven. Ongeveer een graad of dertig, maximaal. Ik stak het blauwe stuk echter recht over (dan duurt het stevige dalen dat er kan zitten immers het kortst) en vloog zodoende met een grote dwarswindcomponent bij mijn veld vandaan. Later in mijn vlucht bleek dat van belang te zijn.
Op enig moment tijdens de oversteek van zo'n blauw stuk tussen wolkenstraten in, weet je dat je niet terug moet gaan, of zelfs niet meer terug kan, omdat je hoogte niet meer toereikend is om je veld te halen. Je moet dus door.
Ik was dat point of no return al gepasseerd toen de wolken in de straat waar ik op af aan het steken was, opeens fors begonnen uit te regenen. Aaah! Neeee!
brulde het in mijn hoofd. Regen is heel slecht voor de thermiek ter plaatse6). Bovendien is de weerstand van een nat zweefvliegtuig groter dan van een schone, droge kist en ga je dus harder naar beneden.
Ik voelde me terstond diep ongelukkig worden. Het enige dat ik kon doen, was doorsteken, door de bui heen en hopen op ofwel buienthermiek7) of gewone thermiek aan de zonkant van de wolk.
Na het sterke dalen voor de wolk en neerslag, was het neerslaggebiedje wat vriendelijker. Maar ik vond zo gauw geen stijgen. Ik kwam inderdaad op ongeveer zevenhonderd meter uit de regen weer tevoorschijn aan de andere kant van de bui, dus ik had nog hoogte zat om even te zoeken.
Maar eigenlijk vond ik niets bruikbaars. En ondertussen werd ik steeds verder naar het Oosten geblazen en kwam ik steeds lager te zitten. Ik had al verschillende velden beoordeeld op bruikbaarheid8) en baalde als een gek. Mijn eerste langere vlucht in een jaar met mijn eigen kist, en dan meteen buiten komen te staan. Wel was ik er gelukkig mee dat ik vanmorgen al twee vluchten had gemaakt, zodat ik wist hoe de landingsomstandigheden waren.
Toch bleef ik hangen. Ik dreef verder en verder naar het Oosten, maar Zolang ik vlieg, ben ik nog niet geland en houd ik een kans open weer thuis te komen.
hield ik mezelf voor. Ik was inmiddels Arnhem, Velp, de IJssel, Westervoort en Duiven allang voorbij en was driftig verder richting het Oosten aan het drijven, richting Doetinchem, toen eindelijk ter hoogte van Wehl ongeveer een zeer bruikbare thermiekbel zich aandiende. Eindelijk.
Ik vloekte en schopte en knuppelde de kist weer omhoog. De basis van de uitregenende wolk zat fors lager dan waar ik eerder had gezeten, nu zo'n kleine duizend meter. Maar gelukkig gedroeg het straatje zich wel als echt straatje.
Ik schakelde mijn Solfahrtgebel in en volgde de straat terug tot een eind West van het Velperbroekcircuit. Door de aanhoudende regen die tussen mij en Terlet stond, had ik Terlet al geruime tijd niet in zicht gehad. Wel wist ik op enig moment dat ik weer fatsoenlijk binnen glijbereik was en ik ontspande enigszins.
Ik begon zelfs te genieten van de regenboog die met mij mee vloog tegen de valstrepen van de volgende bui aan. Ik bewonderde de grote cirkelboog, die veel verder doorloopt als je hem vanuit de lucht ziet, dan als je hem vanaf de grond waarneemt. Op sommige moment zag ik duidelijk een tweede boog, een buitenste, vagere boog, waarin de kleuren in spiegelbeeld worden weergegeven. Ik dacht er zelfs aan om er een fotootje van te maken.
Vanaf de krappe duizend meter hoogte die het straatje me wilde geven draaide ik op Terlet af, door de regen heen. Vlak achter de buien zag ik het veld geduldig op me liggen wachten. Ik kwam op een mooie hoogte aan, ongeveer vijfhonderd meter, en vloog een keer om het hele veld heen voor ik begon aan de landing. Wederom een bumpy final, maar ik was maar wat blij om op de gewone plek te kunnen landen.
Het scenario was een half uurtje eerder nog heel anders. In mijn hoofd ging ik een hele checklijst af. Waar heb ik mijn autosleutels? Ah, die liggen op de achterband. Heb ik het telefoonnummer van de Bel? Jawel, in mijn telefoon. Zelfs het telefoonnummer van het mobieltje op de strip heb ik daar in zitten. Ik heb een jas bij me, gelukkig. Zou iemand me willen komen halen? Tuurlijk. Dat wordt geen echt probleem. Het kost me hoogstens twee extra vliegersmenu's een vier bier.
Heel langzaam raakte ik steeds geruster op de mogelijkheid van een buitenlanding, al baalde ik op voorhand van die situatie.
Maar dat was niet nodig. Iedereen was weer thuis op enig moment (al stond er wel een zweefvliegtuig van een andere club pontificaal in de hei geparkeerd; zich vergist in de windsnelheid).
In de Thermiekbel weer lekker gegeten (wat een goede keuken is dat toch; al helpt het dat ik altijd verschrikkelijk hongerig ben als ik na een dag vliegen er kom binnenrollen voor een hap en wat te drinken), gezellig gekletst. Veel oude bekenden gezien en gesproken ook. Bij toeval vier oud ZHVC'ers ontmoet en daar even hernieuwd mee kennisgemaakt.
En na die buitengewoon gezelligde vliegdag, met een zeer leerzaam vluchtje en verder domweg veel plezier, weer op huis aan. Mijn eigen bedje in. Hopend op morgen. Morgen meer. En zondag weer. Daarna begint het werken.
1) Een zweefvliegtuig heeft enkele instrumenten aan boord, zoals een hoogtemeter, een snelheidsmeter en een meter die aangeeft hoe hard je daalt of stijgt, de variometer. Ook zit er een radio in, waarmee de vlieger contact kan houden met andere vliegers en met de grond. Enkele van de instrumenten en de radio hebben stroom nodig. Daarvoor wordt een accu in het zweefvliegtuig gemonteerd voor het vliegen.
2) Veel zweefvliegtuigen staan niet in hangaars, maar in aanhangers. Daar staan de romp, de beide vleugelhelften en het stabilo als losse onderdelen in opgeslagen. Voor het vliegen moet het vliegtuig dan in onderdelen uit de aanhanger gehaald worden en worden gemonteerd.
De vleugels koment in verticale stand uit de aanhanger, de vleugelneus naar beneden gericht. Op die manier is de kracht die de wind op de vleugel kan uitoefenen erg groot. Als je de aanhanger zo zet, dat de wind recht van voren komt, blaast de wind langs de vleugel en is die kracht opeens zeer gering, wat de hanteerbaarheid sterk ten goede komt.
3) Daar waar vliegtuigonderdelen bij elkaar komen in gemonteerde toestand, zoals de vleugels aan de romp, gebeurt dat niet naadloos. Ofwel, er zit nog een spleet tussen de vleugels en de romp en tussen het stabilo en het verticale staartstuk. Tijdens de vlucht kan langs die spleet lucht weglekken, wat lift (=wat een vliegtuig boven houdt) vermindert of weerstand verhoogt of beide. Om dat zo veel mogelijk te beperken, worden die spleten afgeplakt met tape, wit isolatieband dat na de vlucht ook weer heel eenvoudig is te verwijderen zonder schade aan de lak te veroorzaken.
4) De final is het stukje van de vlucht waarbij je pal voor de landing recht op het landingsveld aanvliegt. Het is een vast been in een standaard naderingscircuit.
5) Bij harde wind en convectie (verticale luchtbeweging) ontstaat in de lucht boven land een licht golvende beweging. Op de golftoppen ontstaat cumuloforme bewolking (stapelwolken) die in kilometers lange banden langs de hemel staan. Ze kunnen tientallen kilometers lang zijn, in uitzonderlijke gevallen wel honderd kilometer of meer. Tussen die banden van bewolking, wolkenstraten of, kortweg, straten, is de lucht helder en vrij van wolken. In die blauwe stukken zit de dalende beweging van de golven die de lucht maakt.
6) Thermiek is lucht die warmer is dan de lucht in de directe omgeving en die door dat temperatuurverschil stijgt. Dat temperatuurverschil hoeft helemaal niet heel groot te zijn.
Vallende regen haalt niet in zijn geheel het aardoppervlak. Veel regen verdampt nog tijdens de val. Voor verdamping is energie nodig. De enige energie die beschikbaar is, is die uit de warmte van de lucht waar de regen door valt.
De verdampende regen onttrekt dus de warmte aan de lucht, die nodig was om diezelfde lucht warmer te laten zijn dan de lucht in de omgeving, om haar zodoende te laten stijgen.
7) Lucht in en om buien heen is enorm in beweging. Het daalt en stijgt in en om een buienwolk, een Cumulonimbus. Zo'n wolk kent een hele eigen dynamiek. Bovendien stroomt vrij veel lucht met de neerslag mee naar beneden. Een wolk die uitregent zal die uitstromende lucht op een andere plaats weer aanzuigen, omhoog dus.
Zo kent een buienwolk met een typische dynamiek, buienthermiek, die heel lokaal is, vrij krachtig en abrupt begint en eindigt.
8) Als je met een zweefvliegtuig niet meer terug kan komen naar het veld waar je van bent vertrokken, moet je elders landen. Dat doe je bij voorkeur op een ander vliegveld, maar als dat niet voor handen is, zet je je vliegtuig in een veld van en boer. In een akker (zonder gewas of met een laag gewas) of weiland. Dat is een buitenlanding.
Niet ieder veld is geschikt om te gebruiken. Het veld moet goed op de windrichting liggen, het moet lang genoeg zijn en het moet bij voorkeur een volledig vrije inzweef hebben (geen wegen met lantarenpalen, geen hoogspanningsmasten met kabels, geen bomenrijen, geen hekken of dijken). Bovendien moet er geen of laag gewas op staan. Als dat allemaal klopt en je hebt de keuze zet je je kist ook nog eens het liefst neer in de buurt van een openbare weg.
copyright © 2003-2005 Barbara de Zoete