PretLetters

Augustus 2005

Hoe is het mogelijk

Mon, 29 Aug 2005 21:57 +0200

Potjandorie, wat een fraai weer. Hoe is het mogelijk? Een volle maand wacht ik op de zomer en vandaag is er een zon om in de files (ruim een uur heen en weer ruim een uur terug) van weg te smelten. Hoe is het in godsnaam mogelijk? Met mij een miljoen anderen die zich volkomen verbijten, deze eerste werkdag na het zomerverlof.

Niet dat er niets te genieten viel de afgelopen maand. Gisteren heb ik opnieuw gevlogen. Heerlijk gevlogen. Met zo min mogelijk tijdverlies tussen het wakker worden en het wegrijden naar Terlet, voor zover de vergevorderde westerse beschaving dat toestaat in verband met persoonlijke hygiëne en mate van bedekking door kleding en zo, spoedde ik me richting kistje en strip1). Ik had er zin in.

En toch bleek het niet mijn dag. 's Ochtends direct na het monteren van mijn kist2) wilde ik haar naar de startplaats brengen. Als ze in de buurt van de startrij zou staan3), zou ik zonder enige moeite zó in kunnen stappen op het moment dat ik daar behoefte aan kreeg. Ik kreeg wat handen hulp om haar naar een mooi plekje te duwen.
Tijdens het duwen gleed één van de duwers uit. Hij sloeg met zijn heup tegen de kap4). In de jaszak tussen die heup en mijn kap zat een brillenkoker. Dat was te veel voor mijn kap en er sloeg een barst in.

Dat is heel erg verschrikkelijk balen. De kist is niet nieuw en de kap is ook al tientallen jaren oud, maar hij was in geweldige staat. Bas en ik waren er buitengewoon zuinig op. Weinig tot geen krassen, schoon, geen vervormingen of lensvorming van te ruig poetswerk. En nu dan opeens een barst!

Ik begrijp natuurlijk dat het een volkomen ongeluk was. Ik neem de kaptikker dan ook volstrekt niets kwalijk. Maar dat nam het verschrikkelijke balen niet weg. Dat zijn twee verschillende dingen. Gelukkig kon ik dat verschil wel uitleggen aan degene die de barst had veroorzaakt.
Hij weet hoe je een barst in perspex afhecht om te voorkomen dat hij doorloopt. Met een hete naald smelt je voorzichtig een gaatje op beide uiteinden van de barst. Dat stopt het doorlopen.

Maar er was geen naald en geen aansteker. De aansteker konden we lenen van de DDI. Naalden zijn echter schaars op een zweefvliegstrip. Behalve van de vele dennen die zo typisch zijn op de Veluwe, vind je ze er eigenlijk niet.
Opeens dacht ik er aan te vragen om vanaf de lier een stukje lierkabel met de kabelwagen mee te geven5). Zo'n lierkabel is een stalen kabel die is opgebouwd uit in elkaar gedraaide dunne staaldraden. Zo'n stukje draad is sterk en zeker dun genoeg.

En het ding werkte prima. Degene die de barst per ongeluk in mijn kap had gemaakt, smolt de uiteinden ook weer prachtig af. Twee kleine gaatjes en ik kon gaan vliegen. Dat is toch het belangrijkste.
Gelukkig zit de barst tijdens het vliegen volledig uit het zicht. Hij zit, als je in de cockpit zit, iets onder schouderhoogte, eigenlijk schuin achter je. Je hebt er geheel geen erg in. Ook als je op de grond staat, zie je de barst niet onmiddellijk, tenzij je weet waar hij zit.

Eigenlijk al tijdens de start dacht ik volkomen niet meer aan het voorvalletje. Pas 's avonds toen ik 'Peter' inlichtte (het is immers ook zijn kist), ervoer ik weer even een gevoel van droefheid. Het gevoel dat je hebt bij de eerste kras in de lak van een nieuwe auto.
Peter reageerde onaangenaam verrast. Begrijpelijk. Anderzijds heb ik hem denk ik wel gerust kunnen stellen over de omvang van de schade en bovendien ook kunnen uitleggen dat het werkelijk door een ongelukje is gebeurt. Dat er niemand schuld heeft aan die suffe barst.

En ik vloog. De verwachting was niet heel geweldig en die kwam uit. De eerste vlucht startte ik vroeg in de middag. Het was net aan een tikkie thermisch, maar heel eenvoudig was het allemaal niet. Ik moest hard werken om wat hoogte te winnen.
Ik zweette daarbij zo hard, dat mijn kap aan de binnenkant besloeg. Ik grijnsde en voelde me goed. Wel zette ik wat ventilatiegaatjes open zodat de aanslag weer verdampte. Dat is toch beter voor het zicht.

En een goed zicht met een geoefende uitkijktechniek had je nodig afgelopen zondag. Het was niet heel thermisch en beestachtig druk. Op Deelen vlogen de ZCR en de ZC Deelen. Vanaf de strip van Terlet vlogen de SZT zelf, met op een parallel stripje de talloze kistjes die aan de Ka6 meeting6) van dit jaar meededen.
Nog een strip verder, maar nog steeds op Terlet, vlogen de GeZC en een aantal kisten van de verenigde kustclubs7), zoals de DSA en de ZHVC, de club waar ik jaren geleden heb leren vliegen.
Hemelsbreed zo'n vijf tot zes kilometer uiteen op drie (drieëneenhalve) strips, ik schat ruim honderd vliegtuigen, ruim 15% van de Nederlandse zweefvliegvloot, die een dag lang startten en aansluiting in de thermiek zochten in een gebied van zes bij zes kilometer bij vierhonderd meter hoog. Dat is druk te noemen.

Dat betekent dat je als vlieger ogen in je achterhoofd moet hebben en bij het vermoeden van een ander vliegtuig je aandacht zo verdeelt dat je die andere kist constant in het snotje hebt. Ook als dat twee kisten worden. Of drie. Of zeven.
Één vlieger was het niet gegeven zo oplettend te zijn als het hoort in zo'n stervensdruk stukje luchtruim.

Ik draaide in een thermiekbel, linksom, al klimmend mijn rondjes. Ik was niet de enige in die bel. Dat was ook onmogelijk. Als het je was gegund een thermiekbel te vinden waar nog geen andere zweefvliegtuigen in vlogen, duurde het niet lang voor die andere kisten bij jou in de bel kropen, dankbaar dat er weer wat effectief stijgen was gevonden.
Van enige afstand begon een zweefvliegtuig te naderen. Duidelijk op weg naar de bel waar ik met andere vliegers al thermiekte. Hij naderde ten opzichte van mijn kist van boven. En heel snel. En kwam daarbij recht op me af. En bleef dat doen. En bleef die botsingskoers stug volhouden!

De enige manier om een botsing te voorkomen, was door steil weg te duiken, onder hem langs. Ik was voor die andere vlieger toen allang uit zicht, ondat ik onder hem zat. Ik heb geen idee of die joker heeft beseft, hoe dicht hij mij naderde en dat het alleen door mijn oplettendheid komt, dat hij me niet heeft geraakt.
Bijna een mid-air collision. Eentje die voor mij uiterst lullig had kunnen aflopen, als hij me werkelijk vanaf boven had geraakt. Dan was er wel wat meer dan een barstje in mijn kap gekomen. Die zou dan volledig versplinterd zijn. Maar afwachten of je dat als inzittende overleeft, lang genoeg bij je positieven blijft om je uit het vallende wrak los te wurmen, te springen en je parachute te openen.

Ik heb de near miss nog besproken met een vlieger die ook in de bel zat en die de manoeuvre van die andere vlieger en mijn reactie daarop heeft waargenomen. Dat zou ik zeker niet op me laten zitten. zei hij. Daar moet je werk van maken. zei een ander wat later.
Enfin, ik heb het er zonder schade vanaf gebracht en ik heb het call sign van de joker die het me flikte vast in mijn geheugen. Ik heb de havenmeester van Terlet gemeld wat er is gebeurd, met het call sign van de andere betrokken vlieger, en met het verzoek of hij wil nagaan wie de vlieger was en om mij dat te laten weten of mij anders met die ander in contact te brengen.

Ik wil die joker wel eens spreken. Eens uitleggen dat invoegen in een thermiekbel een hele kunst is en dat hij die kunst niet verstaat. Dat als het zo druk is boven een veld, hij wellicht beter niet kan gaan vliegen of maar eens met een instructeur moet instappen om te leren hoe het hoort.
En misschien ga ik verder en maak ik er officieel melding van. Dat weet ik nog niet. Daar moet ik nog eens over nadenken.

Die op botsingskoers invoegende vriend, kon gelukkig verder ook niet goed vliegen, dus in de thermiek was ik hem snel kwijt.Ik klom hem er vierkant uit. Toch bleek ik best wel erg geschrokken van het incident en ik zat niet heel lekker meer in mijn kistje. Na nog eens een kwartiertje, twintig minuten vliegen, bedacht ik me en ik brak de vlucht af.
Nog wel even op elfhonderd meter gezeten, waar een inversie verder uitklimmen onmogelijk maakte. Naar het zuiden was het uitzicht schitterend. Weer dat kwikzilveren vlak over een paarsbruine onderlaag. Ditmaal was dat zilveren laken over honderden vierkante kilometers bedekt met talloze inimini cumulus, door een slordige banketbakker als zoete toefjes witte room over west Europa geklodderd. Buitenzintuigelijk uitzicht haast, al weet je dat het toch echt echt is wat je ziet.

Later in de middag maakte ik een tweede start. Een sleepstart gevolgd door een heerlijke vlucht. Het begon er mee dat ik werkelijk heel goed werd gesleept. Nog voor de vijfhonderd meter hoogte zaten we samen in een thermiekbel die het goed deed. Ik heb maar ontkoppeld, zodat de sleper terug naar de startplaats kon voor de volgende. De bel die hij voor me had gevonden, was goed en in een mum van tijd zat ik op een comfortabele hoogte om wat bij het drukke veld weg te kunnen gaan.

Het was min of meer nog net zo druk als eerder op de dag, maar de thermiek was wat verbeterd, kwam wat hoger ook, en daardoor kon ik de rest van de vlucht vrij eenvoudig wat meer afstand houden van het veld. Op afstand zijn wat minder lokaal vliegende kistjes. Dat zit wat geruster. Nog even werd ik geplaagd door een rugzakvliegende Ka88), maar de vlieger daarvan durfde me na enkele kilometers toch maar niet meer te volgen. Gna. Gezien het type kist waar hij in zat, heel verstandig.

Dat tweede vluchtje was lekker. De thermiek ging tot de dertienhonderd meter inmiddels. De cumulus waren wat steviger en talrijker ook, al was het niet onder elke stapelwolk echt goed thermisch. De levensduur van de wolken was niet heel lang.Soms prikte ik mis.
Daarom besloot ik om vooral erg veilig te blijven en niet, net als afgelopen vrijdag al te stoere dingen te doen. Ik ben ondanks mijn vluchten afgelopen week, nog steeds niet heel current. Gewoon ruim lokaal wat vogelen en genieten. En na afloop weer zonder moeilijkheden op Terlet landen. Dat is ook mooi. Mooi genoeg.

Waar ik van genoot was ook het grote aantal Ka6jes. De schatjes zaten werkelijk overal. Net limonadewespen die afkomen op een pas geopende fles zoetgesuikerde cola. Omdat het kistjes zijn met een houten schaalromp en linnen op de vleugels, kunnen ze in bonte kleurenschema's gelakt worden. En dat gebeurt dus ook. Prachtige tekeningen, vrolijk en fris. Helder. De eigenaren zijn zichtbaar verliefd, al kunnen sommigen beter knutselen dan knuppelen.
Maar dat mag de pret werkelijk niet drukken. Al die vrolijkheid. Erg leuk was dat.

Na een kleine anderhalf uur was ik met dat tweede vluchtje ook wel gedaan. Ik was wat dorstig geworden. En hongerig. Ik wilde de kist even wassen om het stof en de vliegenlijken te verwijderen. En ik wilde even op krachten komen om zometeen de vleugelwortel te kunnen sjouwen bij het demonteren en in de aanhanger plaatsen van de kist. Dat ding is zwaar. 's Ochtends kan ik dat nog redelijk handelen, maar 's avonds wanneer ik al vermoeid ben, is het een hele klus altijd weer. Tenzij ik mezelf wat rust gun, even op adem kom tussen de landing en het werkelijke demonteren.

Ik kreeg van alle kanten bereidwillige hulp dat ik diep dankbaar aanvaarde. Heerlijke mensen daar op dat veld. En nadat we passanten hadden weggejaagd, althans die passanten die hun auto's voor en om de zweefvliegaanhangers hadden geparkeerd, kon mijn kistje weer terug in de doos. Einde vliegdag.

Gegeten in de Bel. Uiteraard wil ik haast zeggen. Met andere vliegers. Gebabbeld en voldaan naar huis. Nog toegezegd dat ik aanstaande zaterdag iemand zou gaan helpen met het sjouwen van dozen bij zijn aanstaande verhuizing. Mwah. Vooruit, dat moet dan maar even. Zo'n middagje. Wordt vast ook gezellig.

Ondertussen was ook de deurgrendel van het autoportier aan de bestuurderszijde gesneuveld. Geen idee wat daar nou weer gebeurd is, maar ik kan de deur niet langer vanaf buiten openen. Gelukkig kan ik er van binnenuit wel bij, maar het is wat omslachtig natuurlijk.
Ik zei al aan het begin van deze entry: niet mijn dag. Eerst die barst in de kap. Toen die bijna-botsing en nu die deurgrendel. Apart dat dat allemaal op één zondag bij elkaar komt.

Desondanks wel genoten. Het was mijn laatste vakantiedag. Vandaag scheen de zon uitbundig. En ik was weer aan het werk  :-D .
De hoeveelheid zonneschijn zegt overigens niets over de kwaliteit van het weer voor het zweefvliegen. Best kans dat het beter weer was om te fietsen, wandelen of zwemmem, dan om te zweefvliegen. Maar een beetje wrang is het wel. Een hele natte, sombere augustus lang wachten op vakantieweer, dat eindelijk, na vier weken wachten, komt op de eerste dag dat je weer moet werken. Hoe is het mogelijk?

1) Wat jargon: met kistje wordt een zweefvliegtuig bedoeld; met strip de eigenlijke start- en landingsplaats op het vliegveld.

2) Een zweefvliegtuig kan vrij eenvoudig met een paar mensen gemonteerd en gedemonteerd worden. Bij demonteren worden de vleugels van de romp gescheiden en het horizontale deel van de staart, het stabilo met het hoogteroer, wordt afgenomen. De vier delen, romp, stabilo en twee vleugels, kunnen vrij compact parallel aan elkaar in een aanhanger worden geschoven.
Met die aanhanger kan het zweefvliegtuig worden vervoerd over grotere afstanden. Tegelijk is het zweefvliegtuig veilig weggeborgen in zo'n aanhanger als het niet wordt gebruikt.

3) De zweefvliegtuigen die klaar zijn om te gaan vliegen, om te starten, worden in een rij of een dubbele rij opgesteld op de plek waar ze vanaf kunnen starten. Die plaats is de startplaats. De rij is de startrij.

4) De kap van een zweefvliegtuig is de perspex overkapping van de cockpit. Die is uiterst kwetsbaar en zeer duur (een nieuwe kost rond de vierduizend Euro).

5) Om met een zweefvliegtuig te starten ben je afhankelijk van energie om snelheid te krijgen, die je van buiten het vliegtuig krijgt. Er zit immers geen motor in. In Nederland worden daarvoor twee methoden gebruikt:

  1. De voornaamste startmethode in Nederland is met behulp van een lier. Een kilometer voor het zweefvliegtuig (ongeveer) staat een lier opgesteld waarvan de stalen kabels door een auto naar de startplaats met zweefvliegtuigen wordt gereden. Het uiteinde van zo'n kabel wordt aan een startend zweefvliegtuig gekoppeld. De lier trekt vervolgens het zweefvliegtuig op, zoals je een vlieger op zou laten.
  2. Een andere veel gebruikte methode is die met een sleepvliegtuig. Daarbij trekt een motorvliegtuig het zweefvliegtuig aan een kabel achter zich aan omhoog.

6) Een Ka6 is een type zweefvliegtuig. De 'Ka' staat voor de ontwerper/bouwer Rudolf Kaiser. De '6' is het type/volgnummer van het ontwerp.

De Ka6 is een eenzitter zweefvliegtuig uit de jaren zestig van de vorige eeuw met een (voor die tijd zeer geavanceerde) houten schaalromp en (ook voor die tijd) uitstekende prestaties. Het is een nu nog zeer geliefd kistje, waar vele liefhebbers genoegelijke uren op vliegen.
Periodiek komen de vliegers, met hun Ka6jes, bij elkaar om samen te vliegen, te genieten, stoere verhalen te vertellen en 's avonds samen een biertje te drinken. Dat is de Ka6 meeting

7) Zweefvliegclubs die normaal langs de kust hun veld hebben, zoals Castricum, Langeveld en Valkenburg, maar om de thermische omstandigheden (aan de kust is de thermiek matig en schaars) ook tegen gereduceerd tarief op Terlet mogen vliegen, dat immers het Nationaal Zweefvliegcentrum is.

8) 'Rugzakvliegen' is een kreet die wordt gebruik voor vlieggedrag waarbij de vlieger van een zweefvliegtuig precies volgt wat een ander zweefvliegtuig doet. Als de vlieger van die tweede kist een thermiekbel vindt en daarin begint te draaien, komt de rugzakvlieger naar die draaiende kist toe. Als de eerste vlieger dan wegvliegt en even verderop opnieuw in een andere thermiekbel begint te draaien, volgt de rugzakvlieger niet heel lang daarna. Als dat nog eens gebeurt, weet je het zeker: je hebt te maken met een rugzakvlieger die jou als prooi heeft gekozen.
Meestal zijn het niet de beste vliegers die dat gedrag vertonen. Ze hebben andere kisten nodig om ze de thermiek te wijzen. Die andere vliegers hebben alleen maar last van ze, juist omdat ze vaak überhaupt niet zo goed vliegen en lelijk in de weg kunnen gaan zitten.
Rugzakvliegen wordt door zweefvliegers die wel zelfstandig kunnen vliegen uitgelegd als een zwaktebod. De rugzakvlieger wordt dat gedrag ook wel verweten.

copyright © 2003-2005 Barbara de Zoete