PretLetters

Juli 2005

Ontzagwekkend

Fri, 29 Jul 2005 15:47 +0200

Mijn zomerverlof is begonnen met wakker worden uit een hele vreemde droom vanmorgen. Ik droomde dat ik met een mij bekend en dierbaar persoon (m'n moeder wellicht?) naar een klooster was gekomen. Vanuit de ruime hal kan je er rechtsaf naar een zaal. Een zaal die wat weg heeft van een hele oude gymhal, met een houten parket met van die talloze smalle grenen latjes in visgraad. Daglicht komt door bovenlichten die rondom de zaal zitten, op zo'n ruime drie meter hoogte. De bovenlichten zijn nagenoeg aaneengesloten, waarom het dak waarvan je het houten binnenwerk kan zien, lijkt te zweven boven de vier hoge muren. Langs de wanden staan houten banken, wat de indruk van gymzaal doet versterken.

In die zaal doe ik oefeningen. Of die heb ik gedaan, dat weet ik even niet meer. Misschien is het wel een gymzaal. Er is een groep mensen, waaronder ik en die bekende van mij. We zijn ons aan het omkleden. Ik heb spullen bij me en een tas die op één van de banken staat langs de muur.

De groep verlaat de zaal en ik ga mee. In eerste instantie. Kort nadat ik het gebouw heb verlaten, bedenk ik dat ik terug moet. Ik ben kennelijk iets vergeten en wil dat nog ophalen.
Als ik terug ben in de hal van het klooster, zijn daar ook kloosterlingen. Ik word aangesproken door de moederoverste. Zij vind het onverstandig om terug de zaal in te gaan. Die ruimte wordt gebruikt door iets anders op dit moment. Iets dat ontzag afdwingt bij de in de hal verzamelde kloosterlingen.

Ik geef aan het er op te willen wagen (kennelijk weet ik waar de moederoverste het over heeft). Dan zul je in de zaal moeten blijven tot het besluit te vertrekken. zegt zij. Ik heb daar geen bezwaar tegen.
Ik sla de hoge witte deuren naar de zaal open. Deuren met houtsnijwerk dat eind achttiende eeuw is gesneden. Schitterden deuren. En ik ga de zaal terug binnen. Iemand doet de deuren weer dicht.

Alles in de zaal is gelijk zo het was, toen ik hem een paar minuten geleden pas verliet. Met dien verstande dat ik nu alleen ben. Het gezelschap van zopas is buiten. Niet hier.
Ik loop naar de wand en bank waar ik mijn spullen had liggen en waar ik iets ben vergeten mee te nemen. Ik word gewaar dat het fors donkerder is, dan eerder toen ik hier met de groep was.

En dan ben ik niet langer alleen. Het is in de zaal en het is actief. Ik buig voor zijn macht en kracht. Ik voel geen angst, slechts ontzag.
Het gaat zijn gangetje. Slaat geen acht op mij. Ik beweeg. Voorzichtig, omzichtig. Gebogen als een Japanner. Ik vergeet niet waarom ik in die zaal ben. En ook niet dat ik er niet alleen ben.

Net op het moment dat ik mijn vergeten goed bereik, wordt ik wakker.

Negen uur in de ochtend. Veel licht, maar geen zon. Het is al wat warm. Ik heb m'n zomerverlof. Deze dag is de eerste van een hele maand verlof! Gisteren en vannacht is Frankrijk getroffen door buien en windhozen, waar hagelstenen groot als mandarijnen, volgens latere journaals citroenen en inmiddels volgens het RTL journaal al sinaasappels bij kwamen kijken.

Hier is het slechts wat klammig. Ik ben vanmorgen even de stad in geweest. Drop gekocht en kranten en een regenjack. Knalgeel. Echt alarmkleurengeel. Ik wilde die kleur (of alarmoranje) vorig jaar al, maar toen waren die jacks niet te krijgen. Nu zag ik er één bij de ANWB hangen. Ledenprijs, dertig procent korting, en voor iets meer dan zestig euro heb ik een prima jack.

Zometeen ga ik naar mam en Ger. Het begin van de vakantie vieren. Lekker eten. Wijntje er bij. Ik heb bosjes rozen gekocht voor ze. Daar kan mam vast iets leuks mee doen.

Heel langzaam besef ik dat het hier ook donkerder is dan een paar minuten geleden. Er komt een indrukwekkende Cumulo Nimbus aandrijven. Loodgrauw. Ontzagwekkend. Een smalle streep oranje lucht licht op onder de wolk langs boven de daken van de stad.
Ik wandel naar buiten en haal het zonnescherm op. Ik haal de stoeltjes binnen en zet de tafel op z'n kant.

Mijn hele huis staat open, besef ik. Het is nog te warm om alle ramen en deuren dicht te trekken en stormvast te zetten. Maar alertheid is geboden. Ik hoor gerommel. Het groen van mijn dakterras en de tuinen en straatbomen licht op tegen het lood van de lucht, zo dat het zelf licht lijkt te geven. De televisie knettert en springt op zwart.

copyright © 2003-2005 Barbara de Zoete