PretLetters

Februari 2005

Rituelen op zondag

Sun, 13 Feb 2005 20:10 +0100

Gisteren wilde het nogal waaien. Toen ik naar de brievenbus heen en weer liep, kwam ik onderweg een rood katertje tegen, verdiept in een zelfbedacht spel. Katten zijn gemiddeld niet zo heel dol op wind. Al dat geblaas in je vacht, snorren en oren leidt maar af en 't gooit ook je haar nog eens in de war.

Sommige katten zien juist de kansen op genot, die de wind ze ook kan bieden. Dit rode katertje hoort bij die categorie. Hij zat op een plek waar door venturiewerking tussen bebouwing door, de storm tot zeer krachtig opstuwde. Z'n neus pal in de wind, de oren iets plat. Zijn lijfje tegen de stoeptegels gedrukt. Gespannen voor zich turend.

Ik begreep niet best wat hij nou zag, of waarom hij daar zo platgedrukt zat. Ik speurde naar potentiële concurrenten of opponenten van het katertje. Niets. Ik zag ook geen evidente prooi.

Ik bleef enige tijd staan, bestudeerde dat malle beest. In mijn ooghoek bewoog iets. Snel. Recht op het katertje af. In een flits schoten de voorpoten van het katje uit. Beet. En hij liet z'n vangst weer los. Het rolde en buitelde verder. Niets anders dan een droog blad dat door de harde wind op snelheid was gebracht.
Flits. Tjak. Weer een blad. En weer liet het rode katertje het gaan. En dat gebeurde zo nog een keer. Tjak en tjak. Twee blaadjes kort na elkaar, vrijwel tegelijk.

Ik grinniktje, floot een liedje dat nog niet bestond tot dat moment, genoot. Geweldig inventief katje. Die plek met de venturiewerking, die blaadjes. Prachtbeest.

Vandaag was het weer minder onstuimig. Althans, de wind was minder hard. In de loop van de ochtend passeerde een koufront. Gisterenavond hoorde ik af en toe al een donderklap na een bliksemflits die me volkomen verraste. Vandaag zat er ook een geïsoleerde klap af en toe tussen de sneeuw- en hagelbuien door.

Ondanks het weer ben ik wel gaan wandelen. Gisteren kwam ik niet verder dan de brievenbus en wat boodschappen. Vandaag wilde ik weer wat afstand maken, anders wordt de interval tussen de wandelingen wel erg groot en raak ik het begin van m'n geoefendheid zoals ik die zojuist een beetje heb opgebouwd, weer snel kwijt.

Na de standaard handelingen rond het inpakken van extra kleding en wat proviant, wat ontstaan rituelen toch snel, stap ik vlak na een fikse sneeuwbui naar buiten. Mijn rugzakje heeft een rain cover die ik uit voorzorg om hem heen heb getrokken. Ook heb ik, geheel afwijkend van tot nu toe, handschoenen aan. Beide blijken nuttig en nodig.
Nog voor ik door het Goudse Hout ben, valt de eerste hagel over me heen. Nu bewijzen die attributen zich. Net als de capuchon van mijn jack die ik over de pet die ik ook al op mijn hoofd heb, heen trek. Zo ingepakt merk ik eigenlijk geen donder van die hagel. Ik geniet.

Ik wandel lekker door. Net weer een tikkie andere route dan ik eerder heb gelopen. Met al die elkaar kruisende dijkjes, als het complexe stiksel van patch work van een amerikaanse quilt, kan je eindeloos variëren op het thema. Twee keer stop ik een kort moment om even wat te eten. Ik heb eitjes bij me, en brood met rookvlees. Lekker zout. Aan de mandarijnen heb ik geen behoefte, blijkt, dus die laat ik lekker zitten.

Net op de terugweg loop ik opeens op met een andere wandelaar. Het is een wat oudere heer met een minihondje. Zo'n gladharig beestje waarvan de buik netaan een decimeter boven de grond komt. Een schatje met flapoortjes.
We raken in gesprek, die man en ik. Hij loopt er veel, vertelt hij. Hij loopt sinds enige jaren de Nijmeegse vierdaagse en houdt zichzelf in conditie door hier rond de plassen van Reeuwijk te lopen. 's Winters rond één van de plassen en in de aanloop naar de Nijmeegse vierdaagse breidt hij dat uit tot ongeveer zeventien kilometer per wandeling. Voor hem is dat genoeg om de vierdaagse vervolgens uit te lopen.

Petje af voor deze mijnheer. Ik schat hem rond de zeventig. Hij vertelt dat hij de vierdaagse van Nijmegen met zijn broers loopt. Eentje jaren jonger dan hij. Maar hij heeft een betere conditie. En hij is daar wat trots op, merk ik aan hem.
Na enkele kilometers slaat hij rechtsaf waar ik rechtuit wil. We nemen weer afscheid. Wat was dat leuk, zo even samen oplopen met een vreemde, eigenlijk om niet meer reden dan dat je er allebei loopt. Meer aanleiding is niet nodig voor menselijk contact.

Overigens valt me meer en meer op dat mensen verschrikkelijk stinken. Sinds ik niet meer rook, is mijn reukzin sterk verbeterd. Ik wist sinds mijn kindertijd niet meer dat de wereld zo vol van geuren is. De meeste daarvan stemmen blij of licht weemoedig of brengen kalme stilte in hun warme zoetigheid, zoals brood, een houtvuur of een strostal met melkvee ruiken.

Maar er zijn ook scherpe en vervelende geuren. Niet de minste is de menselijke geur. Mensen stinken. Hun huid en haar stinkt. Hun ongewassen jassen en truien stinken. Hun parfums en aftershaves om dat te verbergen, stinken net zo hard, zo niet erger. Sigarettenrook die walmt uit een op het oog gesloten auto. Oude tabak in mutsen en permanentjes. Jak. De mens stinkt verschrikkelijk.

Maar dat terzijde en het slaat ook niet op de medewandelaar. Die heer was geurloos, ook als je er pal naast loopt. Maar er zijn anderen die letterlijk een uur in de wind stinken. Zo iemand voor je tewijl je tegen de wind inloopt, doet mij de pas versnellen.

Net voor het ging regenen schopte ik m'n schoenen weer uit. Zo'n achttien kilometer gelopen vandaag. Dat stemt me zeer tevreden.

copyright © 2003-2005 Barbara de Zoete