Per ongeluk doe je het een keer. En dan hou je er nooit meer mee op.
Via via ben ik in contact gekomen met het ware vliegen. Het boven blijven, zonder van een motor gebruik te maken. Het dartelen en spelen met je vliegtuigje. Het onverminderd verkennen en erkennen en daarna verleggen van je grenzen. Het vloeken op een mislukking, op jezelf of op het weer. Het hunkeren naar nog één keer starten, al is het maar voor 6 minuten. Het juichen bij een geslaagde vlucht. De trots, de kleine angstjes, en soms grote angsten en het overwinnen daarvan. En het wachten, wachten, wachten en wachten.
Ger is uitgenodigd voor een dag vliegen op Terlet door een vriend van hem, Bert, en vraagt argeloos of ik misschien met hem mee wil. Het zal de eerste aanzet blijken tot een tijdverslindende verslaving, die ik hoop vast te houden zolang ik leef.
Die allereerste start zal ik niet meer vergeten. Het zweefvliegtuig moet nog in elkaar worden gezet, wanneer Ger en ik op Terlet aankomen. De romp rolt uit een aanhangwagen van ongeloofwaardige lengte. Daarna komen één voor één de vleugels uit diezelfde aanhangwagen. En vervolgens ook nog een soort vleugeltje dat boven op de staat wordt geplaatst. Die vleugels blijken loeizwaar en haast niet te tillen. Bovendien blijkt er enige handigheid nodig om ze te kunnen hanteren. Het is wel een uiterst pientere constructie. De vleugels vallen, mannetje/vrouwtje, in elkaar. Daarna gaat er door een cilindrische uitsparing een grote bout. En voilà... je mag vliegen.
Bijna. Het en der wordt nog wat in elkaar geklikt volgens het Meccano-principe. Er wordt op alle mogelijke plaatsen een 'borging' aangebracht die qua vorm het midden houdt tussen een veiligheidsspeldje en een paperclip. Een ijzerdraadje, vormgegeven in de jaren dertig! "Deze speldjes houden de kist bij elkaar" zegt de vlieger ter bemoediging. Grondig controleert Bert 'de kist'. hij bevindt hem luchtwaardig. Klaar voor de eerste start die dag.
Naast mij hoor ik op enige afstand geratel en geraas. Aansluitend het fluiten van de wind, zoals ze dat doet door de stagen van moderne zeilboten die in de haven liggen. Argwanend bekijk ik de constructie, die van ijzerdraadjes afhankelijk lijkt. Tussen het eerste moment waarop de aanhangwagen werd geopend en het moment waarop het laatste speldje op zijn plaats zat is er een goed halfuur verstreken. Staand aan een tip van een vleugel, reagerend op commando's als "Hoger. Tillen. Naar voren. Iets zakken nog. Spanning! Ja, hij zit." en daarbij niet begrijpen wat er nou precies 'zit', heb ik al die tijd ongehinderd uitzicht gehad op wat er zich afspeelt rond en met de vliegtuigjes die starten.
Het startende vliegtuigje wordt rechtop gezet. Als dat niet met de hand gebeurt, leunt een zweefvliegtuig op één vleugeltip, omdat het slechts één wiel heeft. Er wordt een lange staalkabel aan vastgehaakt. Deze wordt vanuit een niet zichtbaar punt achter een heuvel strakgetrokken. En plots waan je je een toeschouwer op Cape Canaveral. Met een ongelofelijke snelheid wordt het vliegtuigje weggetrokken. Het klimt in rap tempo op, neus ogenschijnlijk recht de lucht in. Het korte moment dat het vliegtuigje over de grond rolt, ratelt en rammelt het aan alle kanten. Na een lokaal stofhoosje te hebben veroorzaakt, kiest het voorlopig het luchtruim en gaat het geratel over in het fluiten van de kabel, die strak als een snaar door de lucht snijdt. Nog geen halve minuut later eindigt deze energie-explosie (van stilstaand tot 100km/uur in nog geen 4 seconden), de kabel valt (geremd door een mini-parachute) en het vliegtuigje gaat alleen verder.
Mijn God, denk ik. Moet ik dat ook beleven?
Om op de startplaats te komen, wordt het vliegtuig daar met de hand heen geduwd. Een zware klus blijkt. Er rusten zo'n 350kg op één wieltje met een diameter van ongeveer 35cm en een loopvlak van nog geen 10cm. Handig manoeuvreert Bert, lopend aan het uiteinde van één van de vleugels, het vliegtuigje naar een plaats in de rij wachtenden. Eindelijk even rust. Al ruim een uur op het veld, zwaar werk verricht en nog uitsluitend toegekeken hoe anderen het luchtruim verkozen.
Bert vertelt uitgebreid wat we kunnen verwachten, maar het merendeel gaat langs me heen. Telkens weer kijk ik met ontzag naar alweer de volgende startende 'kist', zoals Bert dat noemt. Het vliegtuigje dat hij bij zich heeft blijkt een '21' te zijn. Vol geduld legt hij uit welke meters er in het dashboard zijn gemonteerd. De twee belangrijkste, en het meest eenvoudig te onthouden, zijn de hoogtemeter in meters ten opzichte van de grond en de snelheidsmeter in kilometers per uur. Beide staan nu op nul. Tijdens de start zal de hoogtemeter hopelijk oplopen tot zo'n goede 400m en de snelheidsmeter zal tijdens de rest van de vlucht zo rond de 80 à 85km/uur aanwijzen. Ik ben in het trotse bezit geweest van een Fiat 126 en die had, heuvel af, wind mee, ene top-snelheid van nog geen 90km/uur. Een zweefvliegtuig zou 85km/uur vliegen? Nieuwsgierig vraag ik naar de maximum snelheid. "Zo'n 260 km/uur is toegestaan, maar hij kan wel zo'n 280km/uur gaan zonder kapot te gaan." Ik sla steil achterover. Mijn kin zakt op mijn kniën van verbazing en nog één keer denk ik terug aan die fruttige borgingsspeldjes waar zo veel van lijkt af te hangen. Dit witte, kleine, plastic vliegtuigje, voor zijn veiligheid afhankelijk van verfomfaaide paperclips, 280km/uur!
En dan is het moment voor Ger aangebroken. Ik kijk toe hoe hij omslachtig in zijn zitplaats wordt geholpen, hoe de riemen worden strakgetrokken, waar hij zijn handen mag houden, waar hij vooral nooit aan mag komen en hoor hoe hij de opdracht krijgt zich tijdens de landing vooral niet schrap te zetten op de twee voetplaten die zo uitnodigend voor hem op de grond zijn gemonteerd.
Schrap zetten? denk ik bij mijzelf. En onwillekeurig verlegt mijn aandacht zich van de start naar de landing. De landende vliegtuigen hebben een redelijk hoge snelheid, die na het raken van de grond vrij snel afneemt. Zo'n landend vliegtuigje hobbelt en knotst alle kanten op. Het geratel van tijdens het eerste deel van de start, komt hier nadrukkelijk weer terug. Het lijkt mij, dat het redelijk harde klappen zijn, waarmee de vliegtuigjes de grond raken. Je ziet de hoofden van de inzittenden schudden. Opnieuw vraag ik me af of ik dit wel wil meemaken.
"En voor het onwaarschijnlijke geval dat het nodig blijkt" zegt Bert, "daar zit een kotszakje." Ger grijnst. Ik huiver. Ook dat nog.
Bert vraagt mij om in de buurt van het 'starthok' te blijven zolang hij weg is en wijst daarbij naar een oude, afgeragde en omgebouwde SRV-wagen. De bedrijvigheid op de grond in de buurt van de startende vliegtuigen schijnt enkele verborgen gevaren te bevatten. Ik laat mij gehoorzaam wegsturen en neem mij voor altijd achter de meest voorlijk staande persoon te blijven.
Vanaf zo'n veilig plaatsje, zittend in het gras, met een hand boven mijn ogen tegen het zonlicht, zie ik hoe de '21' rechtop wordt gezet en met dezelfde verbijsterende snelheid als alle voorgaande vliegtuigen klimt tot een respectabele hoogte. Nog geen halve minuut na het eerste moment van bewegen komt het vliegtuig los van de kabel. Sierlijk draait het een bocht en het verdwijnt tussen een aantal andere vliegtuigen. Ik herken de '21' van Bert niet langer in het drukke luchtruim.
Ger zit goed. Hij is een fervent sportvlieger op Zestienhoven. Hij houdt van de vrijheid en van het mannenwereldje, het cultuurtje van de vliegerij. Zonder enige schroom en geen spoor van een kleine aarzeling is hij in het ranke vliegtuigje gestapt. "Als er geen motor inzit, kan die ook niet uitvallen." redeneert hij. De landingen vindt hij kinderspel. Maar toch bespeurde ik ook bij hem enig ontzag voor het fenomeen van de lierstart. Toen Bert uitlegde dat er niets bijzonder kan gebeuren in zo'n start en dit door de voorafgaande 20 starts inderdaad bewezen leek, vertrouwde hij het volledig. Hij zit nu als vlieger te genieten van het ultime vliegen.
Ik observeer de bedrijvigheid om mij heen. De vliegtuigen worden in twee rijen steeds aangeschoven als er een serie van zes vliegtuigen weg is. Er komt na enige tijd een auto aanrijden, die zes staalkabels achter zich aan sleept. Daar worden per kabel een parachute en een lang stuk touw aan vast gehaakt. één persoon loopt met het losse uiteinde naar het gereedstaande vliegtuig. Hij haakt het touw ergens onder aan het vliegtuig. Zet het vliegtuig rechtop. Geeft het signaal tot straktrekken van de kabel: hand omhoog. Dit signaal bereikt de man op de lier middels lichtsignalen: knipperen. Als de kabel strak staat, laat de mand die de vleugel vasthoudt, zijn hand zakken. Het lichtsignaal wordt nu een ononderbroken signaal. De lierkabel schiet weg en binnen zo'n tien tot twintig meter vliegt het vliegtuigje al.
Al snel maak ik me wat begrippen eigen. Vliegtuigje is kist, dat is mij inmiddels bekend. De wonderlijke SRV-bus heet starthok, weet ik. Het uiteinde van de vleugel heet tip. De man die de kist weghelpt heet tiploper. De op en neer rijdende auto die steeds de kabels komt brengen, dat is de kabelwagen. Het spoor waarin de kabels liggen, heet lierpad en blijkt streng verboden gebied. Na enige tijd begon ik me wat vrijer over het veld rond te bewegen. Om foto's te maken en om het startbedrijf van alle kanten te kunnen bekijken. Ik dacht vlak naarst het lierpad een mooie plaats gevonden te hebben om foto's te kunnen maken, maar een vloekende man die de dienst schijnt uit te maken, stuurt mij onder heftige vermaningen terug naar 'het starthok'. Zo leer ik ook het woord 'strip' kennen. "Sodemieter van de strip af, als je leven je lief is." mokt hij na.
Strip blijkt de plaats voor kisten en niet voor nieuwsgierige nieuwkomers. De boze man zal ook wel een officiële aanspreektitel hebben, maar daar ben ik nog niet achter. Startplaats en landingsplaats zijn zeer eenduidige benamingen. Ik had ze zelf kunnen verzinnen. De kist blijkt niet twee vleugels te hebben, maar slechts één. Ik heb vanmorgen niet met een vleugel in mijn armen gestaan, maar met een vleugelhelft. Het laatste rechte stukje van de vlucht voor de landing heet final. Mijn brein verliest hierna alle opnamecapaciteit.
Een aantal zaken valt mij op en verwonderen mij tenzeerste. Ten eerste blijkt iedereen die op de grond staat zeer loyaal hulp te verlenen aan de eenling die weg wil of die net is gelang, ongeacht of ze hem nou kennen of niet. Ten tweede kan ik maar één vrouwelijke vlieger ontdekken.
Maar de grootste verbazing overkomt me op het moment dat ik zachtjes voor me uit zit te mopperen, omdat er een grote wolk voor de zon schuift. Of nee, niet schuiven, hij lijkt ter plekke te ontstaan. Ik vind het jammer dat zo'n strak blauwe meilucht nu wordt verpest door zo'n schaduwbrenger. Maar juist die wolk schijnt iedereen in opperbeste stemming te brengen. Dezelfde man die zoëven tegen mij uitviel omdat ik ergens niet mocht komen, is in het stoeltje naast mij komen zitten.
Na een aarzelende vraag en een inleidende kennismaking begint hij enthousiast te vertellen over de wolken die we boven ons subtiel zien groeien. Lucht is warm op de grond. op de één of andere manier raakt deze warme lucht in beweging. Warme lucht stijgt. Hierdoor koelt deze af. Bij afkoeling vindt op enig moment condensatie plaats. Net als bij de lucht uit een fluitketel, die zich omzet in stoom. Die wolken laten niet alleen zien dat er stijgende lucht in de buurt is, maar ook waar deze exact zit. en de zweefvlieger is afhankelijk van deze stijgende lucht om boven te blijven. "Heb je je niet afgevraagd, waarom een zweefvliegtuig vliegt?" vraagt hij. Ik beken dat ik daar geen moment bij het stilgestaan. "En hoe hij zonder motor een hele dag boven kan blijven?" Ik vraag me af of dat waar is en hij herkent het ongeloof in mijn gezicht.
Het vervolg wordt wat ingewikkeld gebracht met 'glijhoeken' 'en meters per seconde', maar ik heb in ieder geval begrepen, dat op het moment dat de zonaanbidder zijn T-shirt aan doet, de zweefvlieger in zijn hart begint te juichen en een klein beetje van dat juichen begint op mij over te slaan. Ik heb vanaf de zijlijn kennis gemaakt met de magie van zweefvliegen: thermiek.
Een man die net is geland, komt zijn starttijd en de duur van zijn vlucht vragen. "Elf uur vierenvijftig; één uur en zeventien minuten." Hij noteert deze tijden in een klein schriftje, zijn logboek. Spiekend in de kolommen in dat schriftje snap ik geen snars van wat daar staat, behalve bij één kolom. Aantal starts. Vol ontzag kijk ik naar die man. Daar schrijft hij voor de net beëindigde vlucht het astronomische getal van 278. en ik heb nog nooit gevlogen. Tevreden kijkt hij in het rond. Verlangend kijkt hij omhoog. Hij ziet dingen, die voor mijn lekenoog verborgen blijven. Met een zucht laat hij zich in het warme gras zakken en knikt nog eens goedkeuren, voldane blik in zijn ogen.
Mijn besluit staat vast. Ik wil weten waarom er wordt gewerkt voor iedereen en voor niemand in het bijzonder. Ik wil weten waar iedereen op wacht. Ik zal ook vliegen vandaag.
Een halfuur na de start komt Bert met zijn '21' weer landen. Ik herken Bert pas als hij naast de kist staat. Ger zit er nog in. Ik hol op de kist af en bij aankomst krijg ik opnieuw op mijn donder. "Nóoit zomaar het veld oversteken. Heb je gekeken of er een kist op final zat? Nee zeker. Een landende kist heeft al gauw een snelheid van rond de negentig km/uur. Een tip in je nek en je bent dood." Ik val stil. Niet aan gedacht. Volgens mij is het vliegbedrijf op de grond gevaarlijker dan dat hele zweefvliegen zelf.
Dan valt me op dat Ger wat bleekjes is. Het zweet parelt op zijn voorhoofd en bovenlip. Hij stapt wat onzeker uit en is wat stilletjes. Maar al tijdens het terugduwen van de kist naar de startplaats wordt hij spraakzamer. "Geweldig!" verkondigt hij. En er volgen meer van dat soort kreten. "Helaas hield mijn maag al dat gedraai niet vol." Nu pas zie ik het gebruikte en dichtgevouwen kotszakje op zijn zitting staan. Verbaasd kijk ik hem aan. Als hij, een geroutineerd vlieger, al over zijn nek gaat, hoe zal het dan met mij aflopen? Mijn maag is nog nooit op de proef gesteld anders dan door wagenziekte en daar bleek ik gevoelig voor te zijn. Waar wordt je eigenlijk zo misselijk van in een zweefvliegtuig? "Al dat gedraai" heeft Ger gezegd. Welk gedraai?
Ger is bij aankomst op de startplaats volledig hersteld, maar ziet af van een tweede vlucht. Bert kijk verlangend naar boven en kijkt mij onderzoekend aan. Ik aarzel, kijk van Ger naar Bert en loop vervolgens op de '21' af. "Laat maar doen" zeg ik zo laconiek als mogelijk en ik doe een poging de plastic kap van de passagiersplaats te openen. Bert schiet mij te hulp. Hij snoert me muurvast op mijn zitting met de vijfpuntsgordel, plaatst een ongebruikt kotszakje onder handbereik en hoeft deze keer niet uit te leggen waar dat voor dient. Hij legt me uit waar ik mijn handen kan houden, waar ik niet aan mag komen, waar ook weer de hoogte- en snelheidsmeter zitten en wat zij aangeven en dat ik met mijn voeten niet op het voetenstuur moet duwen. "Houd ze maar gewoon losjes op deze plaats. Daar kunnen ze niet in de weg zitten."
Nadat hij zelf is ingestapt, legt hij geduldig uit welke hendel welke functie heeft. Alles wat hij voorin beweegt, zie ik bij mij ook bewegen. En alles wat ik zie bewegen, daar blijf ik van af, besluit ik. Bert waarschuwt nog dat ik niet te veel op al die metertjes moet staren, maar gewoon ontspannen van het uitzicht moet genieten. En hij verzoekt me om vooral vroegtijdig te waarschuwen bij dreigende misselijkheid.
Terwijl Bert nog een laatste controle uitvoert, hardop besef ik, prent ik me de plaats van de hoogtemeter in het dashboard in mijn hoofd. Ik wil wel eens volgen hoe de hoogte zich opbouwt in zo'n gewelddadig aandoende lierstart. En ik controleer stiekem de bereikbaarheid van het kotszakje. Met een snelle beweging heb ik hem geopend in mijn handen. Dat is een hele geruststelling.
De kabel wordt aangehaakt. De spanning snoert mijn maag alsof al het leven er uit geperst moet worden. De '21' wordt overeind gezet. Bert steekt zijn duim op. De tiploper roept erg hard "Licht!". Na enig wachten begint de parachute voor de kist uit te hobbelen. Schoksgewijs trekt de lierkabel strak. De kist beweegt! Ik hik van ingehouden spanning en enthousiasme. "Strak!" roept de tiploper, alweer zo hard. Even gebeurt er niets en dan dat geratel en gedonder dat ik deze dag al zo vaak heb gehoord. Dat hobbelt stevig. In een mum van tijd zijn wij los van de grond. Ik had mij zweefvliegen als een geruisloos spelen met de wind voorgesteld, maar het haast jankende fluiten en suizen is angstaanjagend. Wat een geweld! Wat een kracht. Ik wordt vast in mijn stoel gedrukt. Ik zie voor mij naast het hoofd van Bert allen maar lucht; naast mij, voor de verbogen en zeer bewegelijke vleugels langs, alleen maar lucht. en ik vergeet de hoogtemeter volkomen.
Met een scherpe klap verandert de situatie volledig. Even lijk ik wat los te komen uit mijn stoel. Opeens zie ik de horizon. Het is vrijwel stil; in een zeilboot hoor je meer kabaal. We vliegen.
"Zie je hoe hoog we zijn losgekomen?" vraagt Bert. Verward zoek ik de hoogtemeter, die in nog geen minuut eerder zo scherp in mijn hoofd had geprent. "Ik zie de meter niet." "We zitten op ruim 400 meter." zegt Bert tevreden. "Dat geeft ons tijd genoeg om thermiek te zoeken."
Onder mij ontvouwt zich de Veluwe, die van boven af verbazend zwart van uiterlijk is. Ik zoek Arnhem en Apeldoorn. Arnhem is snel gevonden, maar Apeldoorn zie ik niet liggen. Misschien zoek ik in de verkeerde richting. Nu pas valt het mij op, dat vrijwel geen van de zweefvliegtuigen die ook boven zijn, rechtuit vliegt. Bijna allemaal draaien ze cirkels. Soms vijf kisten dicht bij elkaar, dezelfde kant op draaiend. "Zie je die vliegtuigen daar verderop?" "Vliegen zij in thermiek?" probeer ik in mijn beste jargon. "Ja, zij hebben een bel te pakken." Die kende ik nog niet. Bert vliegt er op af. In de buurt gekomen likt het of het gaat waaien. Het suizen wordt harder. Opeens neemt Bert een scherpe bocht. En naar later blijkt zal hij deze bocht het komende kwartier niet meer verlaten. We gaan omhoog.
Ik probeer rustpunten te vinden voor mijn ogen. Mijn blik dwaalt van Arnhem, over vliegveld Deelen, via de andere kisten die in deze 'bel' meedraaien, speurend langs de A50 richting Apeldoorn, een klein dorpje verder op zie ik liggen en dan weer terug naar Arnhem. Cirkel na cirkel. Ik zoek zo nu en dan de startplaats op, volg met mijn ogen een fel gekleurde vrachtwagen. Opeens zie ik Apeldoorn liggen en ik ontdek veel meer. Deventer, de IJssel, de A12 richting Utrecht, achter Arnhem zie in Nijmegen schaduwen. Cirkel na cirkel verruimt zich mijn blik. Als Bert na een kwartiertje vraagt of ik nog weet waar de startplaats is, kan ik hem deze feilloos aanwijzen. We zitten inmiddels op ruim 1.000 meter hoogte en Bert vindt het tijd om een wat sterkere bel te zoeken.
Vlak bij de startplaats, de A50 kruisend, ligt een wildviaduct. "Die doet het in dit weer altijd" zegt Bert. Hij legt uit dat je iets benedenwinds van dat viaduct moet zoeken. Hij stuurt er op af. En inderdaad. Bert vindt wat hij zoekt.Dit blijkt een 'goede bel', volgens Bert. Na wat uitleg vind ik de variometer. Deze meter geeft aan hoeveel de kist stijgt of daalt ten opzichte van de grond. We gaan 3 meter per seconde omhoog. Een resultaat wat voor de lift in een bejaardenflat verboden zou zijn. Bert is in zijn nopjes.
Ik begin wat meer op het binnenwerk van de kist te letten.De variometer geeft wat rommelig en wat variabel toch gemiddeld zo'n 3 meter stijgen aan. De snelheidsmeter blijft vrij constant op zo'n 80 km/uur staan. De hoogtemeter geeft een respectabele hoogte aan, inmiddels ruim 1.200 meter, die vrij geleidelijk toeneemt.
De stuurknuppel lijkt op een pen in de hand van iemand die een dictee schrijft. Dan kleine, werkelijk bijna 'schrijvende' bewegingen, dan weer een tijdje niets. De twee planken die 'het voetenstuur' blijken te heten, bewegen vrijwel constant. er is geen enkele vorm van regelmaat in deze twee bewegingen, die van knuppel en voetenstuur, te ontdekken. Dan wijst Bert op een simpel wollen draadje, dat in het zicht, midden op de plastic kap zit geplakt. "Deze moet continu recht naar achteren wijzen." zegt hij. Het draadje volgt de luchtstroming, zoals die om de kist blaast. Bij een luchtstroming die recht van voren komt, schijn je de minste weerstand te hebben en het minste hoogteverlies te lijden. Dat heet gecoördineerd vliegen. Met een kleine verschuiving van het voetenstuur kan Bert dit draadje naar keuze naar links of naar rechts laten wijzen. Met het voetenstuur stil, maar met kleine knuppeluitslagen, bereikt hij hetzelfde effect. Gefascineerd kijk ik naar dit kleine, oranje draadje. Na de uitleg lijkt deze gedurende de rest van de vlucht op de kap vast te kleven.
De hoogtemeter wijst nu ruim 1.400 meter aan. We zitten recht onder het midden van een donkere wolk en deze heeft wat verder aan de zijkanten rommelige flarden hangen. Het lijkt wel of we de wolk worden in gezogen, zo hard gaan we inmiddels omhoog. De variometer bevestigt dit met een aanwijzing van gemiddeld 4 meter per seconde. "Gaaf" roept Bert, "vier rond!" Dit schijnt heel wat te zijn. Maar net op het moment dat het nog harder lijkt te gaan, draait Bert de bocht uit en begint onder de wolk vandaan te vliegen. "We zitten aan de basis." zegt hij. "Vijftienhonderd meter. "Wil je Apeldoorn zien?"
Op het moment dat de '21' onder de wolk vandaan komt en de zon in vliegt, besef ik dat ik het inmiddels vrij koud heb gekregen. In de schaduw, met zo'n hoogte, dat kan ook niet anders bedenk ik me. Ergens van de paar lessen natuurkunde heb ik nog wel onthouden dat de temperatuur afneemt met toenemende hoogte in de atmosfeer.
"Apeldoorn?" denk ik opeens. "Ja graag!" zeg ik, maar tegelijk bedenk ik me dat Apeldoorn toch zo'n twintig kilometer verderop ligt en dat Bert dan ook weer terug moet. Kan dat met een zweefvliegtuig? Zonder motor? Hoe zou hij dat nou doen?
Bert gaat wat harder vliegen. Negentig km/uur wijst de meter nu aan. Hij stuurt aan op een wolk, die in de richting van Apeldoorn ligt. Daar aangekomen ontdekt hij opnieuw een 'bel' en inmiddels begrijp ik hoe hij die heeft gevonden. Nog voor we bij de wolkenbasis zijn aangekomen, stuurt Bert de '21' al weer naar een nieuwe wolk. En weer vindt hij daar stijgen. Steeds van wolk naar wolk vliegend zijn we binnen een kleine twintig minuten bij Apeldoorn aangekomen. Dat leek een koud kunstje.
Opvallend is dat Bert onder de wolk, tijdens het thermiekvliegen, steeds langzamer vliegt, dan wanneer hij rechtuit van wolk naar wolk vliegt. Snappen doe ik dit niet en als ik hem vraag waarom hij dat doet, komt het verhaal van vanmorgen over glijgetallen en meters-per-seconden weer terug. Niet begrepen. Komt nog wel een keer. ik "HmHmm ..." braaf en zoek een ander onderwerp.
"Kan je nu ook naar Arnhem komen?" vraag ik. "Maar natuurlijk, makkelijk zelfs met de wind mee." zegt Bert. En hij voegt daad bij woord. Tijdens een stukje rechtuit vliegen van wolk naar wolk, 'steken' blijkt dat te heten, vraagt Bert opeens of in niet even wil vliegen. Verschrikt kijk ik naar de knuppel en daarna naar het wollen draadje. "Nee" zeg ik. "Nee, jij vliegt dit ding. Dat kan ik niet. Dat wil ik niet." Bert lacht. Hij legt de '21' kaarsrecht horizontaal. Hij regelt dat de snelheid constant blijft door ene kleine groene hendel iets naar achteren te verplaatsen en steekt zijn handen in de lucht. "Jij vliegt." zegt hij. Ik kijk nog een keer naar de knuppel. Aarzelend pak ik hem beet. Vanaf dat moment komen we in redelijk heftige turbulentie terecht. Zal je altijd zien. De kist gaat alle kanten op.
Bert lacht opnieuw. "Laat eens los" zegt hij. En op het moment dat ik de knuppel los laat, vliegt de '21' rustig en zonder de geringste hobbel of neiging tot het maken van een bocht. "Dat deed jij allemaal zelf." zegt Bert. Daar geloof ik nou niets van. Opnieuw steekt Bert zijn handen in de lucht. En vol ongeloof zie ik, hoe de '21' een ruime minuut zichzelf bestuurt. Niemand vliegt hem. "Zo eenvoudig is dat nou" zegt Bert en we zijn boven Arnhem aangekomen.
Scherp draait Bert terug richting Terlet. "Niet misselijk?" vraagt hij. "Geen spoortje" antwoord ik trots. Bert legt uit dat een zweefvliegtuig ook kan kunstvliegen. Een looping of een hoge bocht, een wing-over of een roll. Het kan allemaal. Of ik dat wil meemaken. Opnieuw twijfel ik aan het waarheidsgehalte. Misschien is dit 'vliegerslatijn' en gokt Bert erop dat ik dat niet aandurf. "Lijkt me gaaf" zeg ik. Terugvliegend naar Terlet legt Bert me rustig uit wat er tijdens een hoge bocht met de '21' gebeurt. Hoe hard hij vliegt op welke momenten van de figuur en dat ik me niet schrap mag zetten. "Laat je voeten maar ontspannen op de bodem rusten en pak met je handen je borstgordel beet. Je zal zien, het is prachtig."
De '21' duikt aan, en lijkt uit de lucht te gaan vallen. Vrij scherp trekt Bert weer op. Nog veel forser dan tijdens de lierstart wordt ik in mijn stoel gedrukt. Opnieuw zie ik uitsluitend lucht. Dan, van opzij, komt de horizon aandraaien. En kort daarop vliegen we recht op de grond aan. Bert trekt de kist voorzichtig op. En we vliegen weer een normale snelheid. Happend naar adem weet ik uit te brengen, dat dit toch wel geweldig was. "Een loopje proberen?" vraagt Bert. "Lijkt me wel wat" zeg ik.
Opnieuw dat aanduiken en scherp optrekken. Opnieuw vastzitten in je stoel en alleen de lucht kunnen zien. Deze keer verrast de horizon me door boven mij langs te draaien. Eerst grond boven en lucht onder, vervolgens alleen grond, dan lucht boven en grond onder, dan weer alleen lucht. Voorzichtig drukt Bert de knuppel wat naar voren. Daar is de horizon weer en lucht en aarde zitten weer op hun plaats.
"Nu wat G-trekken" zegt Bert en voor ik weet wat er gebeurt laat hij de '21' doorrollen tot een hele scherpe bocht. Ik zit muurvast in mijn stoel. Mijn hoofd kantelt en tot mijn verbazing is het niet eenvoudig om hem weer recht op mijn schouders te zetten. Dit duur me te lang. "Dit vind ik niet leuk" piep ik benauwd. Vrijwel onmiddellijk rolt Bert de '21' weer horizontaal. "Sorry" zegt hij. "Wil je nog wat anders?"
Ik voel me opeens doodmoe. Ik begin me een beetje draaierig te voelen. Er aan denkend hoe Ger vanmorgen uit de kist stapte begin ik naar de grond te verlangen. "Ik denk dat ik terug wil. Vind je dat erg?" Bert is het er wel mee eens. We zijn al ruim een uur boven. Ik ben moe en wil niet misselijk worden. Het uitzicht is geweldig, maar ik zie het niet meer. Ik vond het prachtig tot zover. Maar voor een eerste vlucht is het genoeg geweest.
Bert legt uit wat het circuit is voor de landing, maar dat gaat helemaal aan me voorbij. Pas op final besef ik dat we zo aan de grond zullen staan. Met spijt in mijn hart zal ik uitstappen. Wat was dit prachtig.
Bert trekt aan een blauwe hendel. Uit de vleugels steken opeen oranje platen omhoog. De '21' maakt nu vrij veel lawaai. De grond komt erg dichtbij. Opeen een enorm geratel en gehobbel. Dan staan we stil. Langzaam zakt de rechter vleugeltip naar de grond. Het is over. Dit was mijn eerste vlucht ooit. Ik zal hem nooit meer vergeten.
Dit moet ik ook leren, bedenk ik me. Dit moet ik kunnen.
copyright © 1997-2005 Barbara de Zoete