PretLetters

Papieren zakdoekjes

Vluchtmomenten

vluchtmomenten
[Alt]+ gaat naar
Accesskeys
S Sla sectienavigatie over
0 inhoud
1 eerste
2 vorige
3 volgende
4 laatste
5 omhoog

Sjaak heeft niet meer omgekeken. Z'n handen diep in zijn zakken gestoken, herinneringen als gedachten. Z'n hoofd tussen zijn schouders. Z'n stoere schoenen niet zo stoer door de toppen van de grassprieten schoppend. Een meeuw lacht. De lichte sneeuw, vanmorgen vers gevallen, kraakt tussen zijn kicks. Hij neemt niet de moeite om omhoog te kijken, zoekend naar de kist, die dat prachtig ronkende geluid maakt, boven hem, ergens tussen die wolken. De overige lucht donkerblauw en lokkend voor een overvliegvlucht. Maar niet voor hem. Niet meer. In ieder geval niet meer vandaag. Niet na die zevende start.

Start nummer zeven. De lierstart kent een normaal verloop. De acceleratie tot veel kilometers per uur, de kracht, de explosie van energie. En seconden daarna het ontkoppelen gevolgd door de rust. De kalmte.

De lucht is in perfecte rust. Geen bellen, geen wind, geen turbulentie. Rust. 420m. Tijd voor wat hoge bochten en misschien, als daar ruimte voor is, een machtige stall-turn. Geen chute, geen looping. Helaas. Dat zal voor een andere keer zijn. Het zicht is fenomenaal. Met wat voorstellingsvermogen zie je Engeland liggen. Voor de kust wat scheepjes. Een zeilboot daarbij, driemaster, varend op de motor. Koud lijkt het hem nu op zee. Op zijn vleugels zitten ragfijne ijsnaaldjes. Vorst aan de grond, toch ietwat vochtige lucht. Sjaak grijnst. Dit is genieten.

Scherp gooit hij de kist om. Steil naar links. Zijn linker bocht gaat toch nog altijd beter dan zijn rechter. Hij zoekt. De andere twee kisten zitten dichter op het veld. Geen ervan neigt zijn kant op. Alle lucht is van hem. Hij duikt, legt onderwijl de vleugels horizontaal, trekt krachtig, maar beheerst op en vliegt een kort moment rechtuit. Dan trekt hij uit allemacht de neus omhoog, loodrecht omhoog. Nu rustig wachten. Met een snelle zijdelingse blik, links-rechts, controleert hij of hij wel recht omhoog gaat. Alles klopt, is nog in evenwicht. Hij voelt de subtiele vertraging van kist. Nú is het tijd om vol voeten te geven. De kist schuift zijdelings nog een tikkie verder omhoog. Piefje dwars op de kap. Daar komt het. Let op ... daar is het. Prachtig! Volledig stil hangt hij in de lucht. Een moment maar, een eeuwigheid van weten dat je leeft. De eeuwigheid, die in het jawoord van huwenden ligt besloten. Hij sluit dat moment zijn ogen. Gewichtloos; bewegingloos. Het moment vóór de val. De kist begint weer in beweging te komen, voorzichtig, aarzelend, niet willen toegeven aan de zwaartekracht, die alles weer terug naar de aarde dwingt. Sjaak heeft zijn ogen nog steeds gesloten, de mond half open als van een slapende. In vervoering.

"Bonk" "Wat mot dat?" Sjaak verstijft. Opent zijn ogen. Dit geluid komt niet door de radio. Hij proeft het begin van angst. Op de neus van zijn kist, gehurkt, grote voeten zijdelings, als op de lak geplakt, grote handen er iets voor geplaatst, precies op de kaprand. Te lange benen in kikkerzit, vrijwel langs de iets puntige oren gevouwen, Spock-oren. Korte blauwzwarte graspol op het aapachtige hoofd. Huid blauwig als van winterhanden. Kinderlijfje. Geen kleren, maar toch niet naakt. Mager. Tegen de kap zit een grote neus gedrukt. Zwarte neusgaten, als zuignappen zich langzaam vacuüm trekkend. Paarsblauwe lippen losjes van elkaar daaronder, iets verbeten trek erom heen. Adem beslaat eerst op de kap en bevriest vrijwel onmiddellijk tot mooie ijsbloemen. Grote zwarte ogen, waarin verontwaardiging en argwaan getekend, vurig en vonkend als een droge benzine-aansteker.

Sjaak gilt het uit. Slaat een moment zijn handen voor zijn ogen, maar grijpt dan, ogen stijf dicht geknepen in dolle paniek de knuppel en rukt daaraan alsof zijn leven daar van af hangt; niet alsof. Geen reactie van de kist. Geen beweging. Niets. Het eeuwige moment blijft. Stilte. Volledig bewegingloos. Sjaak gilt opnieuw als hij zijn ogen opent. "Rot op! Wat ben jij! Rot op!"

"Tuut tuut tuut, het asootje." Het ventje haalt zijn neus van de kap en schudt zijn hoofd. Lelijk hoofd. "Tuut." Z'n oren flapperen. Sjaak staart bewegingloos, verbijsterd. Grote ogen, die niet bevatten. Hij kijkt zijdelings naar de grond. Die is onveranderlijk zo'n 350m onder hem, links onder hem. Hij staart weer naar voren. Het ventje grijnst. Sjaak wordt woedend. "Verdomme, rot op! Sodemieter van m'n kist af!" Dit is te dwaas, denkt Sjaak. Dit kan niet. Dit gebeurt niet, niet met mij. Niet nu. Er is niets. Ik droom. Ik droom vaker dat ik vlieg. Nu ook. Dit wordt gedroomd. Dit gebeurt niet.

"Jij maakt er een zootje van, vrind." zegt het ventje op de neus. "Zootje van." Het knikt tevreden. "Zootje, vrind." "Zootje?" zegt Sjaak geïrriteerd. "Jij bestaat niet eens. Wat nou zootje." Ze staren elkaar aan. Besluiteloos, bewegingloos als in het moment voor de val. Sjaak grinnikt. Het ventje gromt. Sjaak hapt naar adem en is abrupt stil. Boven de horizon staat de zon, fors en haast donker van kleur. Zwart daar tegen afgezet, het silhouet van de Pier. De driemaster dieselt rustig richting het Noorden. De lucht is donkerblauw, violet naar het Zuiden, donkerrood in het Westen. Meeuwen dartelen en spelen en verschieten van kleur in het voorbijkomen. Op de Rijksstraatweg staat een file. Auto's hebben hun lichten al aan. Nog een uurtje licht en dan schluss voor vandaag. Lange schaduwen tekenen het profiel van de duinen. In de straten van Den Haag donkert het al. De stad heeft een grijsblauwe schijn van schaduw. Dezelfde als het ventje op de neus.

"Christenziele, wat ben jij." Sjaak verzet zijn schouderriemen iets. Hij verschuift in de zitting. Gaat iets meer rechtop zitten. Het ventje grijnst, niet eens kwaadaardig. "Jij vloog mij uit de lucht." "Pardon?" zegt Sjaak. "Jij bent hier niet. Jij bent überhaupt niet." "Begin nou niet weer, hè." bromt het ventje op de neus. "Jij vliegt mij uit de lucht. Lucht. Ik verdien een beetje vriendelijker behandeling vind je niet. Vriendelijker behandeling. Niet, vind je?"

Sjaak besluit zich te schikken in deze gewaarwording. Als hij wakker wordt is hij zijn droom waarschijnlijk vergeten. Dat is zo zijn gewoonte. Speelt het spelletje maar mee. "Dus jij vliegt hier ook? Nieuw lid zeker." zegt Sjaak. Het ventje is niet gecharmeerd. "Ik ben Fritting. Ik vlieg hier al lang. Hier. Niks nieuw. Fritting!" Alsof dat alles verklaart. "Fritting." herhaalt Sjaak bedachtzaam. Voorzichtig kijkt hij of de grond al dichterbij is gekomen. Deze is nog steeds 350m links onder hem. Niets aan de hand. Sjaak voelt zich wat geruster. Hij lacht naar het Fritting. Iets spottend.

Het kereltje begint daarop onbedaarlijk te janken. De grote handen tot knuisten gebald, wrijven hard in zijn oogkassen. De kinderlijke schouders schokken van ongenoegen en verdriet. Sjaak schrikt. De spotlach verdwijnt van zijn gezicht. "Hé, nou niet huilen." Het Fritting grient dat het er van loeit. "Ik wil naar huis!" brult het ventje. "Huis. Huis." Sjaak weet zich geen raad. "Hé, kap nàh!" gaat het op z'n Harry Haags. "Ik wil ook wel op z'n normaal en weer terug naar beneden, maar jankend komen we nergens." Het Fritting is abrupt stil. "Je hebt gelijk. Je. Je." Het Fritting staart verwachtingsvol naar binnen. "Wat is er gebeurd?" wil Sjaak weten.

"Hoe heet jij?" zegt het Fritting, het kopje schuin als van een bedelend katje. "Sjaak." zegt Sjaak "Wat is er gebeurt?" Het Fritting kijkt strijdlustig. "Ik vlieg. Jij vliegt. Jij vliegt waar ik vlieg. "Boem" Ik vlieg niet meer. Boem. Vlieg." Nu pas merkt Sjaak een grote schaduw achter het Fritting. Het heeft de schijn van vleugels. Vliesvleugels als van gaasvliegjes. De vorm van vlindervleugels, maar dan veel groter. In hoogte zo ongeveer tweederde van het Fritting. Het totaal hoog boven hem uittorenend. In de linker een grote winkelhaak. Onbruikbaar die vleugel. "Mid-air collision." constateert Sjaak nuchter. "Ik heb jou niet gezien." "Logisch." zegt het Fritting. "Ik ben onzichtbaar." Sjaak schatert. Dit is heel mooi. Heel mooi. Hij heeft een mid-air collision met een onzichtbare Fritting, waarmee hij vervolgens een hele tijd zit te praten. "Dit bestaat niet." verzucht hij. "Dit kan gewoon niet."

Het Fritting buigt droef het kopje. Langs de grove neus lopen opnieuw tranen. "Niet weer." zegt het. "Ik ben." Sjaak is stil. "En nu?" vraagt hij. "Jij moet regelen." zegt het Fritting. "Jij vliegt tegen mij aan. Tegen vliegen." "Da's fraai!" roept Sjaak uit. "Jij ben onzichtbaar. Ik niet. Jij kon mij toch zien. Ik jou niet. Ik heb niet jou overhoop gevlogen, maar jij hebt zelf niet uit je doppen gekeken!" Het Fritting heeft Sjaak strak aan gestaard tijdens deze uitleg vanuit een andere invalshoek. Het concentreert zich, lijkt te begrijpen. "Ik was hier eerst." zegt het dan. Sjaak zou moedeloos zijn armen in de lucht hebben gegooid, als daar ruimte voor was geweest in de krappe cockpit. Nu zucht hij slechts. "Vertel nou eens rustig je verhaal."

Het Fritting vertelt, maar niet rustig. "Frittings bewonen al heel lang de duinen tussen Wassenaar en Katwijk. Tussen duinen, Frittings. Oud volk, Frittings. Wij zijn uit schuim van zeestormen geboren. Donkere stormen in de herfst. We leven hier langer dan Wassenaar en Katwijk bestaan. Leven van zeebeestjes. In schemering komen wij te voorschijn. Zeebeestjes. Wij zijn onzichtbaar sinds mensen. Vliegen op vleugels, om te verplaatsen, maar ook voor onze lol. Vliegvleugels, onzichtbaar. Zijn met veel. Ontelbaar veel. Met veel." Sjaak knikt begrijpend. Onderdrukt een grinnik, wetend dat het Fritting dan weer zal gaan huilen. "En wat doe je dan hier op mijn kist?"

"Ik was aan het lolvliegen. Spelen met de meeuwen en de zonnestralen. Speelde om jou heen. Lolspelen. Jij ging omhoog. Ik ook. Jij kwam naar beneden. Ik niet, niet op tijd. Boem." Het Fritting zwijgt verder. Het verwacht kennelijk dat Sjaak het hier oppakt. Sjaak weet niet goed wat te doen. Hij is bang dat hij in de lach zal schieten, als hij zijn mond open doet om te praten. Hij hikt, slikt en spant zich in, concentreert zich. "Hoe komt het dat ik met jou kan praten, terwijl jij onzichtbaar bent?" vraagt Sjaak. "Anders zou je mij niet zien!" zegt het Fritting, alsof dit afdoende is. Sjaak kijkt vragend. Het Fritting vult aan "Ik maak mij zichtbaar, anders kan jij mij niet zien. Jij zien." Sjaak kijkt links onder hem. Nog steeds 350m boven dek. "En waarom hangen we hier zo maar wat loos en stil in de lucht?" "Anders zouden we vallen." Natuurlijk, denkt Sjaak. Te verwachten, zo'n antwoord. "En hoe hangen we hier dan?" vraagt hij door. Het Fritting zucht van zoveel onwetendheid. "Ik ging vallen en moest me ergens aan kunnen vasthouden. Ergens. Dus heb ik jouw kist stil gehangen. Dat kan ik, met dode dingen. Dat kunnen Frittings." "Overduidelijk." zegt Sjaak.

"We kunnen hier niet blijven hangen, Fritting." zegt Sjaak. "Ik heb een naam." zegt het Fritting. "Djaz¡et. Naam." Sjaak kan zijn lachen niet meer houden. Een gesprek met een onzichtbare Fritting op de neus van zijn kist. Een Fritting met trots en een naam. Geweldig! Hij zou toch wat moeite moeten doen om bij het wakker worden zijn dromen te onthouden. Dit heeft wel wat. Is het onthouden waard. Het Fritting wordt driftig en trommelt met twee vuisten op de kap. Prikkelbaar baasje, zo'n Fritting. "Niet lachen. Niet leuk. Niet!" roept het. "Hé, sukkel, m'n kap. Pas je een beetje op. Die dingen zijn kwetsbaar en duur! Afblijven." valt Sjaak uit. Geschrokken trekt het Fritting z'n handen terug. "Luister, Djaz¡et. We moeten hier wat aan doen. Ik wil naar beneden. Maar dan moet jij van m'n kist af." "Dat kan niet. Niet zo. Niet nu. Niet." "Daar was ik al bang voor." verzucht Sjaak. Mistroostig kijkt hij naar de gewinkelhaakte vleugel. Daar valt niet mee te vliegen. Dat is zelfs een niet-Fritting als hijzelf duidelijk.

Dan denkt Sjaak aan de inhoud van z'n jaszakken. Hij gooit z'n riemen los en worstelt de jas uit. Met vlugge handen en koortsige gebaren gaat hij door zijn zakken. Een pen, en nog één. Stophoest, uit het rolletje gevallen. Z'n portemonnaie. Wat kleingeld. Een zakmes. Z'n kruisjeskaart. Papieren zakdoekjes. Een paperclip. Een zelfborgend moertje, dolgedraaid, opgebruikt. De rest van het rolletje Stophoest. That's it. Het ligt in z'n schoot. Hij rommelt er wat doorheen. Het Fritting heeft alles met belangstelling gevolgd. De neus weer op de kap gedrukt. De blauwachtige lippen nog steeds wat van elkaar. Sjaak kijkt op.

De zon is nu onmiskenbaar aan het onder gaan. De donkerte heeft de stad Den Haag volledig gevangen. Op z'n horloge ziet Sjaak, dat hij nu al drie kwartier boven is. En dat op een niet thermische dag. Een rustig avondvluchtje. Hij grijnst. De file op de Rijksstraatweg is opgelost. Overal is nu verlichting aan. Duinrell heeft zijn buitenbadglijbanen verlicht. "Het vriest, sukkels." mompelt Sjaak. "Wat zei je?" vraagt het Fritting. "Dat ik het nu ook niet meer weet, Djaz¡et. Het vriest, ik heb het koud, ik heb honger. Ik wil naar beneden."

"Het vriest." herhaalt Djaz¡et. "Vries. IJs." Opeens klaart z'n hele lelijke snoet op. Het lacht van oor tot oor. Het heeft iets uitermate diabolisch en toch is het een charmant gezicht. "Vries. IJs. IJsvlies op vleugels. IJsvliesvleugels!" zegt het triomfantelijk. Sjaak snapt het niet, maar hij voelt dat er iets staat te gebeuren waarmee ze uit de huidige impasse zullen komen. "IJsvliesvleugels?" herhaalt hij vragend. "JA!" roept het Fritting vol overtuiging. Het Fritting kruipt dichter op de kap en gebaart dat deze open moet. Sjaak kijkt verschrikt. "M'n kap gaat niet open! Ben je zot." Het Fritting weet zijn bevrijding nabij en laat zich niet ontmoedigen. Het gromt agressief. "Kap moet open. Ik moet weer vliegen. IJsvliesvleugels!" klinkt het gebiedend. Sjaak beseft dat hij niet vliegt. Als hij de kap goed vast houdt, dan kan er niets gebeuren. Aan de andere kant is de kap tot nu toe het enige tussen hem en het Fritting in geweest. Lijflijk contact was tot nu toe onmogelijk. Hij ontgrendelt de kap. Aarzelt. Het Fritting gebaart driftig door te gaan. Sjaak opent de kap.

Voor hij het kan tegenhouden zit het Fritting op de rand van de cockpit, de onmogelijk lange benen naar binnen, de grote voeten bij Sjaak op schoot. Het Fritting lacht. De grom is weer uit zijn stem verdwenen. "Jij moet op mijn vleugel ademen." zegt het. Het ademt tegen de kap. Een mooi damasten laken van ijs legt zich neer, waar zijn adem de kap raakt. Sjaak begrijpt wat Djaz¡et bedoelt. Het Fritting buigt, zijn hoofd op zijn knokige knieën. Sjaak trekt voorzichtig de kapotte vleugel naar hem toe. Deze voelt verbazend stevig aan, leerachtig, niet zwak of teer, geheel niet als van een vlinder. En hij ademt.

Er gebeurt niets. Het ijs hecht zich niet. Er is geen ondergrond. De rafelige randen van de scheur wijken te ver. Enkele stukken ontbreken. Dit is niet de oplossing. Sjaak wordt wat duizelig. Hetzelfde duizelige gevoel als bij de oefening mond-op-mond beademing van de EHBO-opleiding. Te snel, te diep geademd. Hyperventilatie-gevoel. Hij stopt. "Dit werkt niet, Djaz¡et." "Dit moet werken!" brult Djaz¡et uit. "Moet! MOET!" Het slaat met zijn vlakke handen op de cockpit rand tegenover hem. Sjaak kijkt langs die slaande handen naar beneden. 350m Boven dek, onveranderlijk. Er moet iets gebeuren.

Dan een ingeving. Sjaak pakt z'n papieren zakdoekjes. Voorzichtig pulkt hij laagje voor laagje los. De enkele laagjes zijn zo teer, dun, vrijwel gewichtloos. Hij houdt één zo'n laagje als ondergrond onder een stuk van de rafelige scheur in Djaz¡ets vleugel. En ademt. Dit werkt wel. Voorzichtig schieten ijsnaaldjes over de scheur en hechten zich in het enkelvoudige laagje van het zakdoekje. Sjaak ademt uit over de vleugel, rustiger nu dan daarnet. Hij wil niet weer duizelig worden. En hij pakt het volgende laagje. En het volgende.

Sjaak laat de vleugel los. Het Fritting aarzelt, is iets angstig. "Kom, doe eens wat, probeer eens of je vleugel het houdt. Het is een noodoplossing, maar misschien goed genoeg. Je hoeft er alleen maar mee naar beneden te zweven." Het Fritting beweegt zijn vleugel langzaam. Het gaat op de cockpit rand staan en klapwiekt wat enthousiaster. De vleugel houdt zich prima. Hij geeft wat lift. Verheugd klapt het Fritting in zijn te grote handen. "JA JA JA!" brult het en pardoes laat het zich achterover tuimelen. Weg Fritting. Sjaak staart verbijsterd. Hij ziet niets meer. Maar zijn kist hangt daar, bewegingloos.

"God, wat ben ik een eikel." laat hij zich kreunend achterover zakken. Ergens uit zijn jongste jaren kan hij zich nog wel herinneren dat feeën en elfen niet in mensen zijn geïnteresseerd. Dat zij uitsluitend in noodgevallen met mensen in contact komen, of om mensen te plagen. Het Fritting heeft verdacht veel weg van de wat kwaadaardiger elfen uit zijn kinderboeken. Djaz¡et is geholpen en verdwenen. En hij hangt hier nog. Sjaak vloekt hardop. "Had ik maar een parachute omgedaan, misschien had ik dan het lef gehad om te springen." verzucht hij. Hij staart. De wolken, mooie pastel tinten. De meeuwen, dezelfde kleuren. De lucht van het diepste en donkerste blauw, met een enkele aarzelende ster. Nog zo'n vijf minuten uniform daglicht. Het wordt koud vannacht.

"Hei, nog bedankt!" Het is Djaz¡et. Het Fritting duikt voor de kist op en zwaait uitgebreid. "Wel thuis, Sjaak. Thuis." En weg is 'ie. Sjaak schrikt zich kapot. Met een smak trekt hij de kap dicht en vergrendelt deze terwijl hij linkshandig probeert de kist op te trekken. De Stophoest en andere losse zaken vliegen door de kist. Zijn hart gaat vreselijk te keer. Het bloed vliegt naar z'n kop. Binnen luttele seconden heeft hij weer volledige controle over de kist. Niets te vroeg. 280m Boven dek. Hij ordent de cockpit wat en probeert om zijn concentratie voor het vliegen terug te krijgen. Het lijkt of hij in deze schemering overal Frittings ziet. Zwaaiend en lachend en om hem heen spelend. Hij wappert verstoord met één hand voor z'n gezicht langs als om hersenschimmen te verjagen. Slecht één schouderriem krijgt hij weer te pakken. Zachtjes landen straks.

De radio kraakt "Sjaak, vlieg jij de 23 over?" "Goed, richting nulzes" zegt hij terug, ietwat schor. Z'n landing heeft hij nooit in zijn herinnering opgeslagen. Zijn hoofd is op dat moment veel te veel bezig geweest met zijn vlucht. Of eigenlijk niet vlucht, maar wat dan wel. Vluchtduur één uur en zeventien minuten heeft hij opgeschreven.

Vol bewondering kijken de mensen hem aan. In de Verfton, na het wassen en inruimen, vraagt de DDI van vandaag met enige verbazing en ontzag in zijn stem waar hij in vredesnaam op is blijven hangen en waar hij was, überhaupt. Sjaak kijkt wat verward terug. "Ach, " zegt hij. Hij wenst iedereen een prettige avond verder en "Tot volgende week." en hij gaat naar huis. Hij heeft niet meer omgekeken. Z'n handen diep in zijn zakken gestoken, herinneringen als gedachten. Z'n hoofd tussen zijn schouders. Z'n stoere schoenen niet zo stoer door de toppen van de grassprieten schoppend. Een meeuw lacht, tenminste, hij denkt dat het een meeuw is. De lichte sneeuw, vanmorgen vers gevallen, kraakt tussen zijn kicks. Hij neemt niet de moeite om omhoog te kijken, zoekend naar de kist, die dat prachtig ronkende geluid maakt, boven hem, ergens tussen die wolken. De overige lucht donkerblauw.

De volgende ochtend staan die één uur en zeventien minuten toch echt in zijn logboekje. Hij besluit om voortaan altijd papieren zakdoekjes bij zich te hebben als hij vliegt boven de duinen tussen Wassenaar en Katwijk en een zevende start op een winterdag maakt.

copyright © 1997-2005 Barbara de Zoete