Zo'n vroege start is altijd een gok. Is het al thermisch? De lucht is nog strak blauw. De eerste buizerds draaien op ogenschijnlijk niets. Geen kist die al is blijven hangen. En toch probeer je het.
En het zit er weldegelijk. Als stelt het nog bar weinig voor en zal je er nooit hoog mee komen. Maar het waait niet, je wordt nauwelijks weggezet. Op iedere plus-nul kan je in principe blijven hangen.
Tot je genoegen merk je dat de inversie langzaam optrekt. Waar je eerst tot maximaal zo'n 800m hoogte kwam, kom je nu al tot een kleine 1.300m. Maar daar houdt het op. Je ziet niemand boven je. Er zijn nog geen plukken, want het condensatieniveau is nog niet bereikt. Er zijn geen draaiende vogels boven je, die je op weg zouden kunnen helpen.
Dan pik je op zo'n 500 meter een nieuwe bel op. Krachtiger dan enige andere die je die vlucht hebt gehad. Goed te centreren. Wel wat rommelig en turbulent, omdat het inmiddels wel is gaan waaien. Toch is het de bel waarop je had gehoopt. De bel die je misschien hoger brengt dan een ieder op dit moment van de dag nog voor mogelijk houdt.
Een andere vlieger heeft me ontdekt. Hij sluit aan, keurig recht tegenover mij. Ik ken de kist en de vlieger. Hij vliegt een 17-meter kist. Hij vliegt beheerst en netjes. Hij vliegt scherp; geen onzin. Geen overbodige bewegingen. Hij vliegt zuiver. Kortom, hij vliegt zoals ik dat nog niet kan. Ik zit, solo-vliegende leerling, in een ASK-23 van Terlet. Dit zegt voldoende ten behoeve van de vergelijking. Toch houd ik hem bij. Niet eens met moeite, wel met veel concentratie. Dat doet me goed. Samen stijgen we in een gelijkmatig tempo. Zo nu en dan gaat er een duim de lucht in, puur om te zeggen 'Gaat lekker!' Vanwege het snelheidsverschil en het steil moeten draaien komen we af en toe dicht bij elkaar. We grijnzen elkaar dan aan met hetzelfde bericht in onze gedachten, in onze ogen. En het gaat lekker.
Tot een 1.300 meter hoogte. Hier houdt het schijnbaar op. Teleurstelling. De bel wordt rommelig. Stijgen is eigenlijk effectief verdwenen. Ik moet vechten om niet omgegooid te worden, de bel uit. Ik zit nog veilig dicht op m'n veld, maar moet wel oppassen. De bovenwind is fors in kracht toegenomen. Ik wordt nu rap weggezet.
Ik twijfel. De andere vlieger ook. Wat te doen? Volhouden en hopen dat de bel zich verder omhoog kan werken of wegsteken en het elders proberen. De bellen zijn nog niet dik gezaaid. Wegsteken kan betekenen dat ik daarmee de vlucht beéindig, omdat ik geen andere thermiek meer kan vinden of te pakken kan krijgen. De turbulentie is niet leuk en de hoek ten opzichte van mijn veld wordt nu snel kleiner. Ik moet beslissen, maar ik twijfel, hoop.
En dan gebeurt het. De bel breekt door de langzaam oplossende inversie heen en neemt mij met zich mee. Ademloos kijk ik toe alsof dit niet mij gebeurt, maar alsof ik een verre toeschouwer van dit spektakel ben. De lucht, zojuist nog fors turbulent, is één en al kalmte. De bel, zojuist nog geen effectief stijgen, geeft nu opeens een ruime drie meter per seconde rond. Het slechte zicht van daarnet, omdat ik met mijn kist in de vuile luchtlaag onder de inversie zat, is binnen enkele tientallen meters stijgen totaal helder. De bruine band van smurrie, paars zelfs richting het zuidoosten, ligt nu onder mij en ik kijk er overheen de wereld uit. Dit is genieten. De andere vlieger zit nog steeds tegenover mij. Hij zegt over de radio alleen maar "Allemachtig, wat is dit mooi." En hij heeft gelijk.
copyright © 1997-2005 Barbara de Zoete