Sinds ik aan zweefvliegen doe, heb ik met bewondering gekeken en geluisterd naar hen die zich 'privévlieger' noemen. Een eigen kist, dat is je van het. Zo schijnt het. Voorzichtig aan is bij mij het besef gegroeid, dat ik er voor moet zorgen niet afhankelijk te zijn van een clubvloot, als ik uren wil draaien en veelvuldig aan wedstrijden mee wil doen. De clubvloot van de ZHVCis mooi, redelijk modern en up-to-date, maar wordt wel gedeeld door zo'n 100 vliegers. Een kist claimen voor een wedstrijd of een lang weekend Terlet ligt sociaal gezien niet zo lekker.
Een eigen kist. Dat zou een oplossing kunnen zijn. Bladerend in oude Thermieken probeer ik een inzicht te krijgen in aanbod van types en hun prijzen. Wat kan ik vliegen? Wat wilik over vijf jaar vliegen, of over tien jaar? Waar let je op bij aanschaf? Wat moet er uit de administratie blijken? Wat kan ik aan de buitenkant van de kist zien? Wil ik hout of plastic? Overigens, wat zijn de vaste lasten per jaar na aanschaf? Verzekering, stalling, inspecties en keuringen, onderhoud, BVL? Wie voert dat onderhoud uit? En hoe zit het met de inspecties van instrumenten, radio en chute? Er groeide een beeld van mijn wensen versus mijn budget. Een oudere plastic kist zou het optimaalst zijn. Minder kostbaar en arbeidsintensief dan hout voor wat betreft het onderhoud, wel wat duurder in aanschaf.
Een eigen kist. Meer uren dan starts maken. Lange safari's in Frankrijk houden of gewoon een lang weekend Terlet of een weekje Salland. Meedoen aan wedstrijden in een kist die je helemaal kent, waarvanje iedere beweging kan dromen. Maar hoe is het gesteld met mijn vliegstandaard? Bladerend in mijn logboekjes zie ik mijn groei en mijn grenzen terug. Wat kan ik nu al vliegen en vlieg ik nog graag over tien jaar? Wel of geen intrekbaar hoofdwiel? Of toch maar hout met schaats en slof? Voorlijk of achterlijk zwaartepunt? Verstoorders of duikremkleppen? Wel of geen flaps? Welk glijgetal? Is een laminair profiel verstandig? Moet ik een hoog-, midden- of laagdekker kiezen? En wat voor spanwijdte: clu, standaard of ga ik meteen maar voor een ASH 25 of een Nimbus 4? Winglets? Waterballast? Wederom: een oudere plastic kist, 15 meter, middendekker, intrekbaar wiel, geen flaps (nog), eventueel wel water. Dat zou perfect zijn. Nu een uitdaging. In een jaar current worden op die kist en daarna speren met die bak.
Een eigen kist. Plastic. Vijftien tot twintig jaar oud. Niet meer dan 1.500 uren. Liefst privé gevlogen. Standaard instrumenten. Gesloten aanhanger. Maar welke? LS-4, Astir CS, Discus? En is hij te koop? Wil ik hem alleen hebben of moet ik deel gaan nemen in een syndicaat? En met hoeveel mensen is dat optimaal? Wil ik een Nederlandse registratie of een Duitse of Belgische? Fiscale voordelen/
Goed. Een eigen kist dus. Plastic, 15 meter middendekker, intrekbaar hoofdwiel, water, standaard instrumenten, gesloten aanhanger, niet ouder dan twintig jaar, niet meer dan 1.500 uur, liefst privé gevlogen, Nederlandse registratie. En dat samen met één of twee andere vliegidioten. Waar vind ik die kist en die mensen?
Zondag, medio oktober 1995. Vandaag heeft het de schijn thermisch te zijn. Eenmaal op de club aangekomen is de startlijst bomvol. Een tweede blad is al voor meer dan een derde gevud. Er zijn zeker meer dan vijfendertig mensen aanwezig die allemaal willen vliegen. Niet de hele vloot is beschikbaar. Oef, dat valt vies tegen. Mijn God, als ik nou toch een eigen kist zou hebben. Ik neem een rap besluit en reis af naar Terlet. Ook daar zal het druk zijn en het is naturlijk laat als ik aankom, maar de mensen kennen me daar en ze gunnen mij het één en ander. Voordeel van vrouw zijn met laaiend enthousiasme voor het zweefvliegen, wapperende handjes en een zeer vriendelijke glimlach vast getimmerd op m'n smoel.
Vol vertrouwen rij ik de L-strip op. Gezien de windrichting zal er richting zuidwest zijn opgesteld. Aangekomen wordt ik allerhartelijkst begroet en meteen in een 23 gezet. Kijk, dat is het betere werk. Rechts van de lier staat een cumul te lonken. Geen idee of hij wat doet, maar daar kom ik zo achter. Een klein kwartier later sta ik weer aan dek. Niks, noppes, niënte, nada. Geeft niet, geen aanslutiing gevonden. De slappe belletjes zijn nog zeer dun gezaaid. De volgende start ga ik het weer proberen, hopen dat bij toeval een top wordt opgetikt. En anders elementair kunstvliegen, stall-turn en zo. Veel zin in. En dat gebeurt.
In het toch rustige weer vandaag is het niet moeilijk het maximale uit de diverse figuren te halen. Bovendien is de landing een eitje, weinig wind pal op mijn neus en een kist die ik door en door ken. Na mijn derde start spreekt een andere vlieger mij aan. Vaag herken ik zijn gezicht uit een ver vliegverleden. Ik ken hem van het vliegen, dat weet ik zeker. Maar dat is niet in Terletverband. Hij maakt mij complimenten met mijn landingen. Die vind hij er uitzien als een plaatje. Het is mij al eerder opgevallen, dat de vliegstandaard op Terlet niet zo hoog is als bij de club. Menige landing die ik hier zie, zou op de club resulteren in commentaar van de DDI en herhaling zou leiden tot een dringerd verzoek weer eens een instructeur mee te nemen.
Dan kan ik hem plaatsen. Bas heet hij en ik heb hem ontmoet toen ik mijn derde tot mijn vierendertigste start maakte. Dat was met de LSA op zomerkamp in Frankrijk, Le Mans, 1991. Bas had toen een eigen kist bij zich, een Astir CS, die hij voor vijftig procent in eigendom had overgedragen aan het ZVB-ers syndicaat van de LSA. Nu vliegt hij op de 23 en de Ka-8 van Terlet.
Mijn vraag naar het waarom doet bij hem de wenkbrauwen fronsen. Hij heeft problemen met de LSA, omdat die geen ZVB-ers meer in hun gelederen hebben. Zij kunnen de Astir niet vliegen. Financieel hebben ze Bas lelijk in de steek gelaten. Daardoor is het winteronderhoud 94-95 en zijn de diverse inspecties en keuringen volledig in het honderd gelopen. Momenteel heeft hij niet eens de naam van een contactpersoon binnen de LSA. Uit wanhoop heeft hij uiteindelijk afgelopen weekend op eigen doft de Astir bij de werkplaats Terlet in onderhoud gegeven. Hoe dat financieel rond gebreid moet worden is nog onduidelijk. Het verhalen van kosten is altijd al moeizaam verlopen. Een ander probleem is, dat Bas nog een aantal uren en starts moet maken in 1995 om zijn ZVB geldig te houden. Omdat de Astir nu in de werkplaats staat, moet hij dat doenop Terletkisten. Nee, hij is geen lid van een club.
Mijn vervolgvraag tovert een glimlach tevoorschijn. Hij heeft er wel oren naar om een andere vliegmaat te zoeken. De LSA kan hem gestolen worden. Maar hij weet niet of de LSA wil verkopen. En hij weet niet wie hij als mede-eigenaar kan vragen. Hij is altijd wat op zichzelf geweest en heeft weinig contacten in de vliegwereld.
Na een suggestie van mijn kant, zucht Bas. "Ja," zegt hij, "mij lijkt het wel wat om de Astir met jou te delen." We kennen elkaar, op twee weken zomerkamp na een eeuwigheid geleden, net een kwartiertje. Een afspraak is gauw gemaakt. Zodra de Astir uit de werkplaats komt en hij is door Peter van Terlet of door Bas zelf ingevlogen, zal ik hem vliegen om het te beproeven.
"Pas op" komt de waarschuwing op de club, "als je een kist die te koop staat, vliegt, koop je hem." En zo gebeurt het inderdaad.
Mijn eigen kist. Astir CS (plastic, 15 meter, intrekbaar hoofdwiel, water, middendekker), Nederlandse registratie, standaard instrumenten, gesloten aanhanger, nog geen twintig jaar oud, zo'n 1.300 uur, de laatste 12 jaar privé gevlogen. Samen met één andere eigenaar, ieder 50%. Sluit perfect aan op mijn wensen. Een droom vervuld.
Mijn eigen kist. Hij is nog voor ik hem heb gevlogen als eigenaar al een veeleisende droomvervulling. In de werkplaats van Terlet zijn alle technische keuringen en inspecties uitgevoerd en is ook het moeilijkste onderhoud door een technicus gedaan, maar om de kist schoon te maken en te poetsen is zo'n vent veel te duur. Bovendien, hij ziet je aankomen. Hij heeft wel wat anders te doen. Dus een privé-eigenaar poetst zelf. Met Commandant-Groen. Met de hand. En Biotex voor de meest hardnekkige gras- en giervlekken. En wasbenzine om de tapestrepen en het oude, kleverige lagervet weg te poetsen met een doekje en een kwastje. Op de club ben ik in dit deel van het onderhoud zeer getraind geraakt. Toch zie ik er als een berg tegenop. Het is zeer vermoeiend en het kost je je nagels en een hoop spierpijn in je schouders. En het kost enorm veel tijd. En tijd, daar heb ik niet zo veel van. Ik moet werken, vergaderen voor de club en mijn werkuren op de club halen. De eerste twee afspraken met Bas om naar de winterstalling te gaan, mislukken.
We nemen een beslissing. Uiterlijk medio maart moet de kist vliegklaar zijn. Eventueel kan hij dan 17 maart naar Terlet worden gereden en aldaar worden gevlogen. Prima plan, maar dan moeten we wel iedere hele zondag poetsen, poetsen, poetsen. De vorstperiode maakte tot voor kort de werkzaamheden onmogelijk, omdat de Astir onverwarmd staat. Nu dooit het inmiddels al een volle week. Geen excuses meer: aan het werk. De agenda's worden naast elkaar gelegd en de dagen en tijden worden vastgesteld.
Braaf draaf ik op. Mijn schaarse middelen om een plastic kist op te kalefateren, neem ik mee. Vingernagels heb ik kort geknipt om de kans op schade zo veel mogelijk te beperken. Schade aan de kist en aan mij. Echt goed uitgeslapen ben ik niet, omdat ik de nacht ervoor een zeer gezellig feestje heb meegemaakt. De schoonouders van Bas, waar de Astir in de schuur staat, ontvangen mij vriendelijk met koffie. Bas is er nog niet.
Juist als ik een begin heb gemaakt met het de Astir van zijn winterverpakking ontdoen, komt Bas het terrein oprijden. Ik had al een aantal zaken klaargezet om, zodra ik de moed bij elkaar zou hebben, onmiddellijk aan de slag te kunnen. Met een grijns trekt Bas een doos uit een plastic tasje. Daar blijkt een klein boormachientje uit te komen. Nog geen 150 piek. En vervolgens komt er een lappenschijf, een blok polijstmiddel en een bevestigingsbout uit datzelfde tasje. Op Terlet heeft Peter van de werkplaats het effect laten zien van zorgvuldig polijstwerk op de oude lak van de Astir. Hierbij heeft hij exact gebruikt, wat er nu uit dat tasje tevoorschijn komt. Wat een geweldige verrassing!
De rechtervleugel van de Astir wordt bedrijfsklaar gezet. Vol goede moed, voorzichtig, een beetje huiverig voor warmte-ontwikkeling, zet ik de lappenschijf met polijstmiddel op de lak. Met twee handen houd ik de boormachine in bedwang. Bas gaat in de tussentijd de bevestiging van het instrumentenpaneel vervangen en hij wil de speaker van de radio verplaatsen.
De lappenschijf wandelt gemoedelijk over de vleugel. Stukje bij beetje komt een glanzend witte vleugel tevoorschijn. Stukje bij beetje wordt ik er steeds handiger in. Zo nu en dan controleer ik de temperatuur van het oppervlak met de rug van mijn hand. Met één hand weet ik de polijststeen tegen de lappenschijf te drukken, zonder dat de boor of steen daarbij wegspringt. Bijna als een professional sta ik fluitend de huid van mijn Astir in de best mogelijke conditie te brengen. "Weer een puntje bij z'n glijgetal" denk ik na iedere halve vierkante meter poetsen.
Na een tijd worden mijn handen moe. De nieuwigheid is er nu ook vanaf. Nu al op routine bewerk ik het oppervlak. Krassen verdwijnen, hardnekkig vuil wordt grondig verwijderd. Het polijstmiddel blijft hier en daar als een doffe pasta op de lak achter. Achteloos werk ik dat soort plekken bij met een lap met Commandant-Groen. Na grondig nawrijven met een zachte schone lap, geloof ik mijn ogen niet. Steeds verder, de lappenschijf draaiend in de richting van de stroomlijn. De boor dan weer diagonaal, dan weer van links naar rechts over de vleugel bewegend. Ieder ongerechtigheidje valt me op. Kleine putjes, diepe zwarte krassen. De lappenschijf tolt over het oppervlak als een bel over een stoffige akker. Fluitend zie ik de zomer vorm krijgen.
Mijn eigen kist. Z'n lakkrassen vertellen mij het verhaal van zijn verleden, zijn vele uren, zijn wielkast vol Hollandse klei of zijn buik in een Duitse akker gedrukt. Zijn tippen kaal door Franse sleepstarts zonder tiploper. De wieldeuren al lang niet meer oorspronkelijk. De afdruk van zijn oude Duitse registratie ruw weggeschuurd. Maar daar waar het kan, begint hij te spiegelen. En deze plekken zijn een venster naar zijn toekomst, die voor een belangrijk deel met de mijne zal samenvallen.
Verwoed zet ik de lappenschijf op een hardnekkig dof plekje. De eerste voorzichtige cumuls met hun basis op nog geen 500 meter zetten zich af in de koude februarilucht en nodigen mij uit via hun reflectie in de vleugels. Toekomstbeeld in hoogglans. Wij zullen een mooi span vormen.
copyright © 2003-2005 Barbara de Zoete